1.            Inhoud

1.         Inhoud. 2

2.         Inleiding. 5

Ons klimaat: actie is noodzakelijk. 5

Een nieuwe industriële revolutie is nodig. 7

Kiezen voor technologie die werkt. 8

We moeten de kans grijpen om technologisch voor te lopen. 9

3.         Ambitieuze doelstellingen, voortbouwen op de gelegde fundamenten. 10

Ambitieuze doelstellingen. 10

De fundamenten zijn gelegd. 10

Er moet voortgebouwd worden. 18

4.         Het sp.a klimaatplan. 20

5.         Comfortabel wonen en werken in energiezuinige gebouwen. 22

Er moet een grootschalig e-novatieprogramma komen voor bestaande woningen. 22

1.      Weten is meten: het aantal energiescans moet worden uitgebreid. 23

2.      De renovatiepremie inzetten voor e-novatie. 24

3.      Een energiezuinige woning moet een recht worden voor elke bewoner. 24

4.      Een Alliantie voor Arbeid en Milieu. 25

5.      Er moet een grootschalig programma voor dakisolatie en beglazing komen. 26

6.      Sociale woningen moeten worden ge-enoveerd. 28

Nieuwe woningen moeten steeds energiezuiniger worden. 28

7.      Voor nieuwe woningen: een E60-woning mag niet meer kosten. 28

8.      Passiefhuizen moeten steeds meer ingang vinden. 30

9.      Nieuwe sociale woningen moeten echt sociaal zijn: passiefhuizen dus. 31

CO2-neutrale kantoorgebouwen en woonwijken. 32

10.    Haalbaarheidsstudies voor passiefstandaard en CO2-neutraliteit in grote gebouwen en nieuwe woonwijken   32

11.    Nieuwe kantoorgebouwen moeten een E-peil hebben van E60.. 33

6.         Energiezuinige apparaten en materialen. 34

Een Europees energielabelingsysteem met opschuivende normen. 34

12.    Op Europees niveau ijveren voor strenge, opschuivende normen. 35

‘Energievreters’ ontmoedigen. 36

13.    Een fiscaal beleid dat energievreters ontmoedigt. 36

14.    Een doorgedreven sensibilisatiebeleid. 36

7.         Een intelligent gebruik van mobiliteit. 37

De organisatie van ons vervoerssysteem verbeteren. 38

15.    Locatiebeleid, bedrijfsvervoerplannen en mobiliteitsconvenanten. 38

16.    Distributiecentra concentreren in de ‘poorten’: (binnen)havens, overslagplaatsen   39

Investeren in de structuur van ons transportsysteem.. 39

17.    Blijven investeren in het openbaar vervoer voor reizigers. 39

18.    Blijven investeren in het goederenvervoer per spoor. 40

19.    Blijven investeren in binnenvaart. 41

20.    Subsidiëring van overslagterminals voor spoor en binnenvaart. 41

Vergroening van het transport. 42

21.    De Belasting op inverkeerstelling (BIV) afhankelijk maken van CO2-uitstoot. 42

22.    De verkeersbelasting vervangen door een bijkomende bijdrage op brandstof 42

23.    De Europese CO2-norm voor wagens verstrengen tot 120 g/km.. 43

24.    Carsharing blijven promoten. 43

25.    De bedrijfswagenvloot vergroenen: met 20% in 4 jaar. 44

26.    Bedrijven verplichten een evenwaardige passe-partout portefeuille aan te bieden als ze een bedrijfswagen aanbieden. 45

27.    De aftrekbaarheid van brandstofkosten voor bedrijven aan banden leggen. 45

28.    Het aandeel van duurzame biobrandstoffen optrekken tot 10%... 46

Fietsen als gezond en milieuvriendelijk alternatief. 46

29.    Bijkomend investeren in fietsinfrastructuur. 46

Vliegverkeer alleen waar nodig en milieuvriendelijker. 47

30.    Vluchten korter dan 150 km verbieden. 47

31.    Opname van luchtvaart in Europees systeem van emissiehandel 47

8.         Een overheid die het goede voorbeeld geeft. 49

32.    Een Kyotonorm voor elk openbaar bestuur. 49

33.    E-70 moet de norm worden voor nieuwe schoolgebouwen. 51

34.    Alle energiebesparende maatregelen in overheidsgebouwen met een terugverdientijd kleiner dan 15 jaar nemen   52

35.    Innovatief aanbesteden door de overheid. 53

36.    Delcredere mag geen klimaatvervuilers meer verzekeren. 54

37.    Een energie-efficiënte ontwikkelingssamenwerking. 55

9.         Zuinigere industriële processen. 56

38.    Binnenlandse tender CO2-besparing. 56

39.    Stimuleren van industriële ecosystemen. 57

40.    Uitbreiden en verfijnen Europese regelgeving rond broeikasgassen. 58

41.    Nieuwe Europese kwaliteitsnormen voor  brandstoffen. 59

10.        Een nieuw soort energienetwerk. 60

42.    Invoeren van slimme metering. 61

43.    Lange afstandkabels in de Noordzee als onderdeel van de TEN’s. 61

11.        Een milieuvriendelijke energieopwekking. 63

44.    Doelstellingen groene stroom optrekken en de grote bedrijven tot bondgenoot maken   64

45.    Mottenballentaks. 65

46.    Bevorderen microwarmtekrachtkoppeling (µ-WKK). 66

47.    Investeringszekerheid voor wie zonnecellen zet. 68

48.    Europese normen energie-efficiëntie elektriciteitsproductie. 68

49.    Certificering van biomassa en biobrandstoffen. 69

12.        Meer onderzoek naar nieuwe technologieën. 70

50.    Een VIE voor energieonderzoek. 70

13.        Totaal budget over 4 jaar. 71

2.          Inleiding

Ons klimaat: actie is noodzakelijk

Onze menselijke activiteiten veroorzaken een opwarming van het klimaat, daar twijfelt nie­mand nog aan. Sinds de industriële revolutie zijn we steeds meer broeikasgassen (waarvan koolstofdioxide of CO2 het belangrijkste is) gaan uitstoten, waardoor de concentratie in onze atmosfeer geleidelijk is toegenomen, van CO2 van 280 ppm (deeltjes per miljoen) voor de industriële revolutie tot 379 ppm in 2005. Deze broeikasgassen houden de warmte­straling van de zon vast, een natuurlijk fenomeen waardoor onze aarde leefbaar is. Maar door de toenemende concentraties stijgt de tempe­ratuur van de aarde boven de normale niveaus. Sinds het begin van de industriële revolutie is de temperatuur op aarde al 0,74 °C gestegen. Dat lijkt niet veel, maar betekent een wereld van verschil voor heel wat systemen die zich niet kunnen aanpassen aan te snelle lokale of regionale temperatuur­stij­gingen die vaak veel extremer zijn dan het gemiddelde. Dit heeft gevolgen voor de voedsel­pro­duc­tie, de waterhuishouding in heel wat gebieden, de verspreiding van planten- en dier­soorten en het voorkomen van weerfenomenen als hittegolven en tropische stormen.

Het is niet de eerste keer dat de temperatuur op aarde fluctueert, het is wel de eerste keer dat de wijzigingen zo snel plaatsvinden en het gevolg zijn van menselijke activiteit. Bovendien gaat men er van uit dat de huidige klimaatverandering niet enkel erg snel gaat, maar ook in sprongen zal ver­lopen. Toen in het verleden de temperatuur langzaam wijzigde, schoven planten en dieren mee met de klimaatgordels en migreerde de toenmalige schaar­se bevolking van jagers-voedsel­voor­zieners naar andere continenten. Maar nu verschuiven de klimaatgordels zo snel, dat planten en dieren ze niet meer kunnen volgen, terwijl in onze huidige, dichtbevolkte wereld ook massale migratie moeilijk en onwenselijk is geworden. Hierbij komt nog dat heel wat gebieden waar de klimaat­verandering hard kan toeslaan (Bangladesh, grote delen van Afrika, grote kuststeden in ont­wikkelingslanden, ...) dichtbevolkt zijn en niet over de middelen beschikken om zich tegen overstromingen of verdroging te beschermen, als dat al mogelijk zou zijn. Een ramp komt dubbel hard aan als je arm bent. Het Rode Kruis schat dat er momenteel 10 miljoen mensen[1] op de vlucht zijn voor natuurrampen. Het rapport[2] dat in opdracht van de Britse regering werd opgemaakt door Sir Nicholas Stern, voormalig hoofdeconoom van de Wereldbank, begroot de kosten van niet-handelen op termijn op 5 tot 20% van het mondiale BNP of 12.000 miljard dollar. Dit zou leiden tot een wereldwijde economische crisis in de grootteorde van deze uit de jaren ’30.

Bij een temperatuurstijging van 2 °C op wereldniveau is er al een tamelijk grote zekerheid dat de impact van klimaatswijziging wereldwijd grote schade berokkent. Hoe groter de tempe­ratuurstijging, hoe ingrijpender de impact. Belangrijke evenwichten op onze planeet kunnen uit balans worden gebracht: de ijskappen smelten, wat wijzigingen in het patroon van golfstromen veroorzaakt, de Siberische permafrost ontdooit in de zomer waardoor broeikasgassen als methaan en CO2 worden vrijgemaakt, enzovoort. Dit heeft gevolgen die de klimaatverandering nog versterken, met nog meer temperatuurstijging tot gevolg.

Algemeen wordt aangenomen dat ons klimaatsysteem uit evenwicht geraakt en dat grote schade wordt aangericht aan de mensheid en ecologische systemen al de gemiddelde temperatuur op aarde met meer dan 2 °C stijgt ten opzichte van voor de industriële revolutie. Uit onderzoek blijkt dat de CO2-concentratie zeker onder de 450 ppm moet blijven willen we dit vermijden. Om dit te bereiken, moeten we dringend maatregelen nemen. Omdat de uitstoot per inwoner veel groter is in de industrielanden (in de VS 5,6 ton, in de EU 2,4 ton, in China 0,5 ton en in India 0,2 ton) moeten hier ook de belangrijkste inspan­ningen plaatsvinden. De Europese Commissie[3] wil de uitstoot van broeikasgassen tegen 2020 met 30% verminderen in de industrielanden. Als andere ontwikkelde landen zich niet engageren zal de EU eenzijdig voor een reductie van 20% zorgen, aldus het voorstel van de Commissie. De Europese ministerraad moet dit voorjaar uiteindelijk beslissen. Tegen 2050 moet de uitstoot van broeikasgassen in de ontwikkelde landen zelfs met 60-80% naar beneden. Hoewel nog geen verdeling per lidstaat werd voorgesteld, staat het vast dat ook België hierin een be­langrijke bijdrage zal moeten leveren.

sp.a wil dat Europa ambitieuzer is. We moeten er absoluut voor zorgen dat de temperatuur wereld­wijd niet meer dan 2 °C stijgt tegenover pre-industriële niveaus. De EU moet zich engageren om de uitstoot van broei­kas­gassen tegen 2020 met 30% te verminderen, ongeacht wat de rest van de wereld doet. Uit de kostenbaten analyses van de Europese Commissie blijkt duidelijk dat de econo­mische kosten van derge­lijke reducties een stuk lager liggen dan de economische baten, en bovendien heel wat banen voort­brengen. Een drastische reductie van ons gebruik van klassieke energiebronnen, zorgt immers ook voor een betere luchtkwaliteit, minder gezond­heidsschade en een verminderde afhankelijkheid van door schaarste en geopolitieke spanningen opgejaagde prijzen op de wereldener­gie­markt.

Bovendien moet Europa deze kans grijpen om technologisch voor te lopen op de rest van de wereld. Europa heeft als een van de meest welvarende regio’s ter wereld en grootste economische markt ook de morele plicht om technologie te ontwikkelen die veralge­meenbaar is op wereldvlak en opkomende economieën in staat stelt meteen schoon te ontwikkelen. Op die manier kunnen zij ‘haasje over springen’ en in hun ontwikkelings­proces een aantal stappen overslaan die wij destijds verkeerdelijk hebben gezet. Zo kunnen zij meteen inzetten op een duurzame, decentrale energie­voorziening zonder verspil­lende megacentrales te bouwen die met veel verliezen hun stroom over een kilometerslang hoogspanningsnet moeten vervoeren.

Zo’n 30%-doelstelling tegen 2020 is geen utopie. Indien we 20% efficiënter omspringen met onze energie en 20% energie betrekken uit hernieuwbare bronnen zal naar schatting al 28% minder broeikasgassen worden uitgestoten. En dit zonder iets te wijzigen aan onze hoge levens­standaard en onze economische groei.

Een nieuwe industriële revolutie is nodig

Om de nodige daling van de uitstoot van broeikasgassen te bereiken moet onze economie worden omgevormd tot een koolstofarme economie. Hiervoor is als het ware een nieuwe industriële revolutie nodig die voluit inzet op energie-efficiëntie en hernieuwbare energie. In onze geschiedenis hebben zich al eerder energietransities voltrokken: van hout en turf in de Middeleeuwen over steenkool in de eerste industriële revolutie en petroleum sinds de opkomst van de auto tot kernenergie in de tweede helft van de 20ste eeuw. De uitdaging waar we nu voor staan is om de energie-intensiteit van onze economie te laten afnemen en de opwekking van de energie die we nodig hebben duurzaam te laten verlopen door middel van hernieuwbare bronnen als zonne-energie, geothermische energie, water-, golfslag- en windenergie of energie uit biomassastromen. Het potentieel hiervoor is er. Door  betere technologieën in te zetten en door bewuster met energie om te gaan kan er op vijftien jaar tijd naar schatting minstens een vierde bespaard worden in woningen, in bedrijfsgebouwen, in het huishouden en in het transport. Dit leidt tot een jaarlijkse energiebesparing met voor Europa het astronomische bedrag van 100 miljard €.

Door het gebruik van eindige brandstoffen als aardolie, steenkool, aardgas en uranium af te bouwen behalen we ook andere voordelen. Fossiele brandstoffen en uranium zijn sowieso eindig. De verbranding van steenkool en aardolie veroorzaakt de uitstoot van verzurende en ozonvormende stoffen en fijn stof, met negatieve gevol­gen voor de lucht­kwaliteit en de gezondheid van mensen en ecosystemen. Kern­energie blijft gevaarlijk – zeker tegen de achtergrond van het mondiaal terrorisme - en zadelt ons op met radio­actief afval waar na een halve eeuw onderzoek en beloftes nog steeds geen oplossing voor is. Fos­siele brandstoffen maken ons afhankelijk van het buitenland, vaak van regio’s die onstabiel zijn of waar dictaturen heersen. De ontginning van uranium, petroleum en steenkool gebeurt vaak in mens­on­waardige omstandig­heden met heel wat milieuvervuiling voor de lokale bevolking. Tenslotte levert de investering in energie­opwekking uit hernieuw­bare bronnen heel wat banen op en biedt het onze industrie de mogelijkheid om innovatieve technologie te valoriseren in het buitenland.

Kiezen voor technologie die werkt

Vandaag pleiten sommigen voor technologische avonturen om het klimaat te redden. In de VS wil de NASA experimenteren met ruimteschilden om de zonnestraling af te leiden. Dichter bij huis wil de nucleaire lobby alles zetten op kerncentrales van de vierde generatie (GenIV). Bovendien wordt dan voorgesteld om zogenaamd ‘in afwachting’ van Gen IV de huidige kernreactoren langer open te houden. Een levensduur­ver­lenging zou ons afhankelijk maken van oude reactoren, op zich een technologisch en economisch avontuur. Omdat de bestaande kerncentrales al werden afgeschreven in de beschermde markt, kan de exploitant van kerncentrales eigenhandig de elektriciteitsprijs bepalen waardoor investeerders in nieuwe, schone technologieën geen investerings­zekerheid hebben. sp.a wil schone technologieën investeringszekerheid geven. Daarom moet de onzekerheid die wordt gezaaid over de kernuitstap eindigen en moet volop werk worden gemaakt van schone vervangcapaciteit.

Energiezuinige technologieën en energieopwekking uit hernieuwbare bronnen zijn vandaag al be­schik­baar. Sommige technologieën, zoals fotovoltaïsche zonnecellen of wagens met hybride motoren die op het stroomnet worden ingeplugd, kunnen nog veel efficiënter en rendabeler worden. Hiervoor is bijkomend onderzoek nodig. Andere technieken als passiefhuisbouw worden in sommige landen al op grote schaal toegepast zonder noemens­waardige meerkost. Vaak is het een kwestie van politieke wil, van het veranderen van gewoonten of van sensibilisatie om ze op grote schaal ingang te doen vinden. In hun aanloopfase vragen nieuwe technologieën vaak ook onder­steuning vanuit de overheid door middel van subsidies of een groen aankoopbeleid door diezelfde overheid. Maar zo’n ondersteuning is niet eeuwig nodig. Door zogenaamde leereffecten en schaal­voordelen wordt nieuwe technologie snel goedkoper (terwijl klassieke energieopwekking door schaar­se grondstoffen juist duurder wordt). Zo daalde de kost voor het opwekken van stroom uit windturbines met 80% sinds het begin van de windmolenontwikkeling in de jaren ’70. Bij elke verdubbeling van het geïnstalleerd vermogen daalt de prijs met 15% (die van zonnecellen met 20%). Brits onderzoek toont aan dat tegen 2020 windenergie goedkoper zal zijn dan nieuwe kern- en steenkoolcentrales en concurrentieel met de meest performante gascentrales. Een sterk innova­tie­beleid samen met een slimme en markt­conforme overheidssteun voor de ontwikkeling en toe­pas­sing van duurzame energie­technologie moet ervoor zorgen dat we de kansen nu grijpen zodat we meekunnen op de groeigolf van de voorlopers. De vraag is immers niet of hernieuwbare energie zal ontwik­kelen tot concurrentiële oplossingen voor grote schaaltoepassingen, de vraag is of wij in deze ontwikkeling een koploperspositie kunnen verwerven of behouden.

We moeten de kans grijpen om technologisch voor te lopen

Veranderingen brengen steeds kansen met zich mee. Door zich in het verleden ondubbelzinnig achter het Kyotoprotocol te scharen bouwde Europa een voorsprong uit op vlak van energiezuinige tech­nolo­gieën en hernieuwbare energie. President Bush in de VS argumenteerde dat elke verplichte broeikasgasreductie de Ameri­kaanse industrie zou schaden. Intussen blijkt het tegendeel waar te zijn. Amerikaanse autoconstructeurs als Ford en General Motors hebben het moeilijk om te concurreren met Europese of Japanse constructeurs die zuinigere wagens produceren. China voerde intussen voor zijn eigen wagens de Euro III-norm in tegen 2008 en overweegt hetzelfde te doen met de Euro IV norm. Europa is al mondiaal marktleider in technologie voor hernieuwbare energie en dit met een omzet van 20 miljard Euro en een tewerkstelling van 300.000 mensen. Voor windenergie bijvoorbeeld hebben Europese bedrijven 60% van de wereldmarkt in handen.

Door ambitieus te zijn in zijn klimaatdoelstellingen kan Europa technologisch voorop blijven lopen. Ook ons land heeft hier een rol in te spelen. Uiteraard is België slechts een klein land en dragen de broeikasgasreducties die wij realiseren slechts in kleine mate bij tot de nodige wereldwijde broei­kas­gasreduc­tie. Maar de technologie die wij ontwikkelen om onze doelstellingen te behalen kan ook in andere landen worden ingezet en daar haar nut bewijzen.  Als straks door het beleid van de federale overheid C-Power - met Dredging International - in de Noordzee het eerste offshore windturbine­park op een dergelijke diepte realiseert, gaat voor het Belgische Dredging een wereld­markt aan zulke projecten open en kunnen onze baggeraars overal ter wereld op zee dergelijke windmolenparken aanleggen. De halfgeleidertechnologie van Imec en Umicore en de Lithium-ion batterijen van die laatste openen mogelijkheden voor onze bedrijven op de boomende markten van fotovol­taïsche zonnecellen en batterijen in elektrische en hybride wagens. En de waterstof­gasbus die bussen­bouwer Van Hool ontwikkelt samen met UTC Technologies - wereldleider op vlak van brandstofcellen - verovert straks misschien ook heel Europa.  Hansen Transmissions in Lommel is wereldleider in de productie van tandwielkasten voor windtur­bines. Op vlak van stortgasgebruik en mestverwerking met elektriciteits­opwekking loopt Vlaanderen wereld­wijd voorop. Zulke ontwikke­lingen vragen een doorgedreven innovatie­beleid en de creatie van een thuismarkt (via een ‘groen aan­koop­beleid' door de overheid en nieuwe wetgeving) die de afzet van de nieuw ontwikkelde producten in de aan­loop­fase stimuleert. Zo'n voorloperbeleid vergroot de kans dat onze bedrijven straks in de rest van de wereld een rol gaan spelen die het niveau van onze kleine regio ver overstijgt. Door ons land uit te bouwen tot een incubatie- en kraamkamer voor de ontwikkeling van nieuwe technologieën die wereldwijd kunnen worden toegepast en letterlijk een wereld van verschil kunnen maken, kunnen ook wij een betekenisvolle bijdrage leveren aan de wereldwijde strijd tegen de klimaatverandering. sp.a wil dat ons land de klimaat­verandering niet ondergaat, maar zelf mee vorm geeft aan een koolstofarme toekomst.

3.           Ambitieuze doelstellingen, voortbouwen op de gelegde fundamenten

Ambitieuze doelstellingen

sp.a vindt dat de EU zijn uitstoot van broeikasgassen tegen 2020 met 30% moet verlagen om ervoor te zorgen dat de temperatuurstijging wereldwijd gemiddeld minder dan 2 °C  bedraagt. Tegen 2050 vereist dit naar alle waarschijnlijkheid een reductie met 80%. sp.a kan zich vinden in de doelstelling om tegen 2020 minstens 20% van de energie in de EU te genereren uit hernieuwbare bronnen en om de energie­vraag met minstens 20% terug te dringen. Tussen 2007 en 2011 moet dit al 8% bedragen. Op vlak van warmtekracht­kop­peling moeten we ook in ons land naar een Europees vooropgesteld gemid­deld aandeel van ongeveer 20% kunnen stijgen.

sp.a wil dan ook dat ons land in Europa mee aan de kar blijft trekken voor ambitieuze broei­kas­­gas­reductie­doelstellingen en voor een Europese politiek om die doelstellingen te bereiken. Maatregelen zijn nodig op alle terreinen: van stand-by lampjes in een DVD-speler tot de organisatie van ons hoog­spanningsnet, van het uittekenen van verkavelingplannen tot het te voeren beleid op vlak van ont­wik­ke­lingssamenwerking, zodat we andere landen gebruik laten maken van de in ons land ontwikkelde kennis en technologie. 

De fundamenten zijn gelegd

Uiteraard lukt dit niet van vandaag op morgen. Ook bij de huidige Kyoto­doelstellingen (7,5% broei­kas­gasreductie tegen 2008-2012) zien we dat vele maatregelen tijd vergen om ten volle resultaat af te werpen. Pas in 2004 werd binnen België tussen de regio’s en de federale staat een akkoord bereikt over de lastenverdeling van de Belgische Kyotodoelstellingen, waardoor het klimaat­beleid echt van start kon gaan. De federale overheid nam een groot deel van de Kyoto-inspanning op zich (40%) en besloot het overgrote deel daarvan in eigen land te realiseren. Voor projecten in het buiten­land gold daarenboven de strikte voorwaarde van duurzaamheid. Vele maatregelen die werden genomen beginnen pas nu de eerste resultaten op te leveren.

Zowel het energieverbruik van productieprocessen als dat van gebouwen en wagens werd aange­pakt. Met de energie-intensieve industrie sloot de Vlaamse overheid een benchmark­convenant[4]  af. Hierin verbinden de energie-intensieve bedrijven zich er toe de meest energiezuinige technologie ter wereld aan te wenden die moet worden opgespoord via een maatstafvergelijking (de zogenaamde ‘benchmarking’). In ruil daarvoor krijgen zij emissierechten die gebruikt kunnen worden in het Europese CO2-emissiehandelsysteem. Dit systeem verplicht grote bedrijven voor hun jaarlijkse CO2-uitstoot evenveel emissie­rechten voor te leggen. Stoten ze meer uit dan ze aan rechten hebben gekregen, dan hebben de bedrijven de keuze tussen energiebesparing of de aankoop van emissierechten van bedrijven die door investeringen minder uitstoten dan waar ze recht op hebben. Met kleinere bedrijven sloot de Vlaamse regering een auditconvenant[5] af. Deze bedrijven verbinden zich er toe een audit te laten uitvoeren om hun energie­besparings­potentieel in kaart te brengen en alle rendabele maatregelen uit te voeren. Voor gebouwen geldt vanaf 1 januari 2006 een nieuwe energie­prestatie­regelgeving[6]. Deze legt voor nieuwbouw of grondige renovatie nieuwe, strengere normen vast op gebied van isolatie, efficiëntie van de verwarming, binnenklimaat en ventilatie. Een systeem van energie­certifi­cering verplicht tot een doorlichting van de energie­prestaties van bestaande gebouwen die worden verkocht of verhuurd. Daardoor krijgen woningen een energielabel naar analogie van de energielabels op elektrische apparaten. Dit energielabel maakt de verborgen energiekosten zichtbaar, geeft de rendabele besparings­maat­regelen aan en zet de verkoper, koper of verhuurder aan daarin te investeren. Aan de distributie­netbeheerders werd een jaarlijkse energie­besparing­doelstelling opgelegd. Zij moeten via premies hun klanten aanzetten tot investeringen in rationeel energiegebruik (REG) om deze doelstelling te bereiken.  

Figuur 1: Bekendheid van REG-maatregelen in het Vlaams Gewest

De overheid verhoogde de aftrekbaarheid voor investeringen in energiebesparing, maakte de aanschaf van zuinige wagens fiscaal aftrekbaar, richtte Fedesco op voor de derdepartij­finan­cie­ring van REG-investeringen in overheidsgebouwen, zorgde voor de bijmenging van bio­brand­stoffen in diesel en benzine, voorzag in een CO2-gerelateerde bijdrage aan de sociale zekerheid die geïnd wordt op bedrijfswagens en richtte een energiebesparingfonds op dat quasi renteloze leningen verstrekt voor investeringen in energiebesparing. Binnen de transport­sector wordt ingezet op een effi­ciëntieverbetering van het vervoerssysteem (minder milieu­belastende vervoerswijzen zoals spoor en binnenvaart voor goederen en openbaar vervoer voor personen) en van de vervoersmiddelen (zuinigere en schonere wagens). Het aantal passagiers op trein, tram en bus neemt jaarlijks met forse schreden toe. Het aantal reizigers van de NMBS is tussen 2000 en 2006 gestegen van ongeveer 140 miljoen naar 180 miljoen. Dit is een stijging van bijna 30%.

Figuur 2: Aantal reizigers NMBS

Onder impuls van de Vlaamse regering is het aantal reizigers van De Lijn de laatste jaren spectaculair toegenomen, met name van ongeveer 220 miljoen in de jaren’90 naar meer dan het dubbele, 450 miljoen reizigers, in 2005.

Figuur 3: Reizigers De Lijn (Vlaams Gewest)

Ook in Brussel nam het aantal gebruikers van het openbaar vervoer toe: van 159 miljoen reizigers in 1999 naar 255 miljoen in 2005.

Figuur 4: Aantal reizigers MIVB (Brussels Gewest)

De fiets is populairder dan ooit in Vlaanderen. In Brussel verdubbelde het aantal fietsers vorig jaar zelfs, al is hier natuurlijk nog een hele weg te gaan.

Ook de hervorming die de Vlaamse regering enkele jaren geleden doorvoerde in de binnenvaart wierp zijn vruchten af, met een stijging van het vervoerde tonnage tot gevolg.

Figuur 5: Evolutie transport per binnenschip in Vlaanderen (1990 = 100)

De laatste jaren is het budget voor onderzoek en ontwikkeling naar energiezuinige technieken toegenomen, waardoor heel wat technologie beschik­baar kwam. Een energiediensten­economie krijgt vorm. Steeds meer publieke en private initiatieven zorgen voor een leger van deskundigen die de energie-efficiënte van gebouwen, kantoren, scholen en bedrijven in goede banen leiden maar met degelijke audits en doelmatige, econo­misch optimale investeringsplannen, aangepast aan ieders beurs en ieders specifieke noden. Binnen dit kader krijgt energiearmoede terecht steeds meer aandacht.

Ook op vlak van de duurzame energieopwekking werd pas de laatste jaren een structureel kader uit­ge­werkt. Vanaf 2002 is elke elektriciteitsleverancier in Vlaanderen verplicht om een minimumhoe­veel­heid elektriciteit uit hernieuwbare bronnen te leveren. Dit percentage zal in 2010 6% bedragen. De elektriciteitsleverancier kan bewijzen dat hij aan zijn ver­plichting voldoet door vol­doende groene­stroomcertificaten voor te leggen. Deze worden geleverd door producenten van groene stroom en worden verhandeld op de vrije markt. Het systeem leidde tot een toename van de Vlaam­se groenestroomproductie. Eind 2004 lanceerde sp.a het 'Windkracht 10-plan' met 10 maat­regelen om de juridische en admini­stra­tieve hinderpalen voor meer windenergie uit de weg te ruimen, en dat zowel op federaal als op Vlaams niveau. De belangrijkste maatregelen uit het 'Wind­kracht 10-plan' zijn inmiddels gerealiseerd[7]. Deze maatregelen beginnen resultaten op te leveren.

Figuur 6: Aantal windturbines in Vlaanderen[8]

Hoewel Vlaanderen in het gebruik van duurzame energie nog steeds achterop hinkt, zijn we de laatste jaren toch aan een spectaculaire inhaaloperatie begonnen. Tussen pakweg 2000 en 2004 is er een onwaarschijnlijke groei geweest in het aanbod hernieuwbare energie, een trend die moet aanhouden. Sinds begin 2002 – dus op nog geen vier jaar tijd – is de productie van groene stroom in Vlaanderen ongeveer verachtvoudigd.

Figuur 7: Groene stroomproductie in Vlaanderen[9]

Verhoudingsgewijs blijft het aandeel van deze hernieuwbare energie in de totale energiemarkt nog vrij klein – in de grootteorde van enkele percenten – met de productie van groene stroom uit biomassa als bijzonder sterke dominante factor. De ambitie is echter groot: Vlaanderen wil tegen 2010 een aandeel van 6%, Wallonië zelfs 8%, en tegen 2015 moet 12% van de elektriciteit uit hernieuwbare bronnen komen. Analoog met het systeem van groene stroomcertificaten startte Vlaanderen op 1 januari 2005 met WKK-certificaten voor warmtekrachtkoppeling, waarbij de restwarmte die vrijkomt bij de elektriciteits­produc­tie nog nuttig wordt aangewend. Daarmee kunnen we ook onze achter­stand in de toepas­sing van deze technologie beginnen in te lopen. De wetgeving die de laatste jaren op de verschillende niveaus uitgewerkt is, heeft zonder enige twijfel een belangrijke sturende werking gehad, zonder welke deze sector in ons land niet tot bloei zou zijn gekomen.

Uit een vergelijkend Europees onderzoek[10] blijkt dat landen met een goed beleid op het gebied van her­nieuw­bare energie, dat zeker niet alleen bestaat uit financiële onder­steuning, een groter aandeel groene stroom hebben. Dat betekent dat we met een goed doordacht beleid de evolutie nog verder kunnen aanzwengelen. Op langere termijn kan hernieuwbare energie nog een veel groter aandeel innemen. De literatuurstudie van de viWTA[11] wijst op een potentieel aan groene stroom in Vlaanderen van 6 tot 21% tegen 2020 in een ‘business as usual’ (BAU)-scenario van stijgende energievraag. Houden we rekening met de eco­no­mische rendabele vraagreductie van 13 % (Fraunhofer studie[12]), dan kan de hernieuwbare energie tegen 2020 instaan voor één derde van de stroomvoorziening in Vlaanderen.

Bovenstaande maatregelen op vlak van vraagreductie en duurzame energieopwekking hebben al gezorgd voor een ‘knik’ in de uitstoot van broeikasgassen.

Figuur 8: Broeikasgasemissies in België

Er moet voortgebouwd worden

Op deze fundamenten wil sp.a voortbouwen, met een klimaatplan dat niet blijft steken in een waslijst voornemens en beschouwingen, maar dat realistische en concrete maat­re­ge­len bevat waarop het beleid kan worden afgetoetst. Nieuwe maatregelen of de verster­king van bestaande maatregelen die in de volgende paar jaar kunnen worden genomen en ons op weg zetten om in Europa de uitstoot van broeikasgassen met 30% te verminderen tegen 2020.

Het klimaatbeleid moet gebruikmaken van de toenemende mogelijkheden op vlak van schone tech­no­logie en van het toegenomen bewustzijn bij de bevolking dat maatregelen nodig en dringend zijn. Het spreekt vanzelf dat een goed bestuur vereist dat concrete maat­regelen die worden genomen gepaard gaan met een doorgedreven informatie- en sensibili­sa­tiebeleid om ze bekend te maken. Heel wat onnodig energieverbruik heeft immers te maken met onwetendheid over de energie­ver­spilling of onbekendheid met technieken, steunmaatregelen of expertise om ze tegen te gaan. Een sterk maatschappelijk draagvlak is een absolute voorwaarde om in het klimaatbeleid meer voor­uitgang te boeken. Sensibili­sa­tie is ook nodig om concrete maatregelen breed ingang te doen vinden. sp.a wil voor elke doelgroep die in het klimaatbeleid een belangrijke rol moet vervullen, op korte termijn een op maat gemaakte en coherente communicatiestrategie uitwerken en toe­pas­sen. Die strate­gie zal zich zowel toespitsen op het creëren van een sterker draagvlak binnen de doel­groep in kwestie als op de ondersteunende communicatie die nodig is om de toe­pas­sing van con­cre­te maatregelen door en binnen die doelgroep maximaal te stimuleren.

We beseffen dat voor heel wat maatregelen een nauwe samen­werking of een herverdeling van de taken tussen de verschillende bevoegd­heids­niveaus moet gebeuren. Zowel de gewestregeringen als de federale regering moeten de volgende jaren bijko­men­de inspan­ningen leveren, bovenop het al ontwikkelde beleid. Na de verkiezingen zal de bevoegd­heidsverdeling inzake energie en klimaat een discussiepunt worden. De hier voorgestelde acties moeten in deze discussie op de juiste plaats worden gezet.

 

4.           Het sp.a klimaatplan

Het sp.a klimaatplan gaat uit van 30% reductie van de uitstoot van broeikasgassen in Europa tegen 2020. Hiervoor moeten de volgende jaren concrete maatregelen worden geno­men.

We willen langs de vraagzijde (het energieverbruik) zuinigere gebouwen, toestellen en voer­tui­gen in­zet­ten en deze ook veel rationeler aanwenden. Ook industriële productie­pro­ces­­sen moeten nog min­der energie gaan gebruiken. Elke besparing aan het eind van de energie­keten vermindert ook de (vaak grote) verliezen tijdens productie en distributie van energie.

Nieuwe gebouwen, toestellen en voertuigen moeten aan voortschrijdende energie­ver­bruiks­normen beant­woor­den die de energievreters eruit halen en het energieverbruik van de rest van het gamma moet via energielabels zichtbaar worden gemaakt. Het onderzoek naar en de ontwikkeling van voor­loper­tech­nologie moet sterk worden aan­ge­zwengeld en de toepassing ervan moet worden aangemoedigd door een compensatie van de meerkost (via premies, fiscale aftrek of subsidies) en door een groen aankoop- en aanbestedings­beleid van een ‘voorbeeldige’ overheid.

De energieverliezen van bestaande gebouwen moeten zichtbaar worden gemaakt via energiescans of energie-audits en via een energiecertificering (labelen) van gebouwen bij verkoop of verhuur. Het wegwerken van deze energieverliezen moet worden aangemoedigd via premies en fiscale maat­rege­len, goedkope leningen voor investeringen in energie­besparing en het helpen uitvoeren van deze inves­teringen via (gemeentelijke) energie­be­sparings­­bedrijven. Bij industriële processen wordt het energiebesparings­potentieel zicht­baar gemaakt via een energiedoorlichting of bench­mark­studie in het kader van het audit- of benchmarkconvenant. Convenantbedrijven moeten worden overtuigd om ook te investeren in minder rendabele besparingsmaatregelen.

Langs de aanbodzijde (de productie van de verschillende vormen van energie, zoals elektriciteit, warmte, stoom, beweging, …) moet de opwekking veel efficiënter gebeuren en moet bij de productie van stroom, warmte en motorbrandstoffen veel meer gebruikgemaakt worden van hernieuwbare grondstoffen. Daarvoor wil sp.a ook een ingrijpende reorgani­satie van onze energie-infrastructuur. Deze moet veel meer decentraal worden georgani­seerd, waarbij een veelheid aan kleine en grote produ­centen elektriciteit en warmte produceren waar deze nodig is. Daarvoor willen wij de domi­nantie op het vlak van stroomproductie en –levering doorbreken. Dit vereist het wegwerken van de voordelen waar de historische monopolisten van genieten, zodat nieuwe investeerders met schone technologieën de markt kunnen betreden.

Om vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen moeten we volop werk maken van de ont­wik­ke­ling van ‘slimme netten’. De ontwikkeling van een slim distributienet is nodig voor de integratie van een toenemend aantal decentrale productie-eenheden en de aansturing daarvan via slimme meters. Het elektriciteitsnet moet daarbij evolueren van een net dat stroom van grote cen­trales over grote afstanden naar de afnemers transporteert, naar een soort ‘internet­structuur’ waarvan de gebruikers niet alleen kunnen afhalen, maar ook opzetten en verzenden. Zo’n net­struc­tuur moet toelaten dat straks gezinnen, landbouwers, scholen en KMO’s met hernieuwbare energie-in­stal­la­ties (kleinschalige windmolens of fotovoltaïsche cellen) of (micro)warm­te­krachtkoppeling, zelf hun stroom en warmte produceren en het net gebruiken voor het uitwisselen van overschotten en te­kor­ten. Via slimme meters moeten zowel de decentrale warmtekracht­koppelinginstallaties als elek­tri­sche toestellen en plug-in hybride wagens kunnen worden aange­stuurd. Zo’n model van ener­gie­voor­ziening is veel efficiënter, kent minder verliezen en heeft een veel kleiner risico op een black-out. In zo’n model wordt onze stroommarkt niet langer gedomineerd door enkele dominante spelers, maar kan iedereen consument én producent worden met (decen­trale) installaties die gebruikmaken van hernieuwbare bronnen en warmte­krachtkoppeling. Zo hopen wij dat ook onze energiemarkten worden ‘gedemocratiseerd’ en dat hernieuwbare energie veel sterker gaat doorbreken. De uitdaging voor het transportnet bestaat in de aanleg van een hoogspanningsnet over de bodem van de Noord­zee om onze toekomstige offshore windmolen­parken te verbinden met deze van Groot-Brittannië en Nederland. Op die manier kan een veel stabielere stroomlevering uit windmolens op zee worden gehaald.

 

5.           Comfortabel wonen en werken in energiezuinige gebouwen

De verduurzaming van het woningenbestand moet langs twee complementaire beleids­sporen lopen. Terwijl tegen 2020 voor nieuwbouw en vernieuwbouw volledig moet worden overgeschakeld naar de bouw van passiefhuizen en lage energiewoningen, wordt ook het bestaande woningenbestand verbeterd qua woonkwaliteit en energiezuinigheid. Tegen 2020 willen we dat het energieverbruik van onze woningen (zowel bestaande als nieuwe) met 20% afneemt. Dit betekent voor de Belgische gezinnen een belangrijke koopkracht­verhoging, terwijl er heel wat banen kunnen bijkomen bij het isoleren en efficiënter verwarmen van bestaande gebouwen.

Bij (ver)nieuwbouw dient ook zoveel mogelijk CO2-neutraliteit te worden nagestreefd door de integratie van zonnecellen, zonnecollectoren, warmtepompen en/of micro-warmte­kracht­­­­koppeling op biomassa. Op jaarbasis produceren dergelijke gebouwen evenveel groene energie (stroom en warmte) als ze zelf nodig hebben zodat ze geen nettobijdrage leveren aan het broeikaseffect. Om tegen 2015 alle nieuwe kantoorgebouwen en woon­wijken CO2-neutraal te bouwen, moet nu al bij dergelijke projecten de passief­stan­daard en CO2-neutrale inrichting voorafgaandelijk worden onderzocht.

Er moet een grootschalig e-novatieprogramma komen voor bestaande woningen

De Belgische woningen hebben een enorm energiebesparingspotentieel. De 4,5 miljoen bestaande woningen die ons land rijk is gebruiken voor hun verwarming ongeveer 20% van de energie in Bel­gië. Ons Belgisch woningenpark is oud en over het algemeen slecht geïsoleerd. Om het met een boutade te stellen: Belgische woningen zijn slechter geïsoleerd dan Spaanse en verbruiken meer ener­gie dan Zweedse. Slechts 71% van onze woningen heeft dubbele beglazing, van slechts 57% van de woningen is het dak geïsoleerd[13]. Uit onderzoek[14] blijkt dat we 5% energie kunnen besparen door gewoon de maatregelen te nemen die onze buurlanden ook nemen en 12% door alle maatregelen te nemen die zichzelf terugbetalen. De besparing door alle niet-geïsoleerde woningen in België te isoleren wordt geraamd[15] op 10 miljoen ton CO2. Aangezien het Belgische woningenpark slechts langzaam wordt vernieuwd moeten we het bestaande park ‘e-noveren’ (reno­ve­ren op vlak van energieprestaties).

Hoewel energiebesparing in vele gevallen ‘economisch’ is (wat wil zeggen dat de maatregelen nemen minder kost dan ze niet nemen) blijkt het energiebesparingspotentieel toch onderbenut. Dit wordt veroorzaakt door een aantal drempels:

-       Veel mensen kennen de slechte prestaties op energiegebied van hun woning niet,  zijn niet op de hoogte van het verbeterpotentieel of van bestaande steunmaatregelen of weten niet waar te beginnen.

-       Huurder/verhuurder paradox: huurders betalen de energiefactuur maar investeren niet omdat de woning niet hun eigendom is, eigenaars investeren niet omdat de besparing niet voor hun rekening is. Bij het afsluiten van een huur- of lease-overeenkomst is de energiefactuur onzicht­baar.

-       Arme gezinnen wonen in de slechtst geïsoleerde woningen maar ontberen het geld om ze te e-noveren. Ook jonge mensen hebben vaak al hun volledige ontlening­moge­lijkheden opge­bruikt voor de aankoop of bouw van hun woning.

-       Sociale huisvestingsmaatschappijen zijn vaak verplicht de huur te verhogen als zij renovatie­wer­ken willen uitvoeren, terwijl er ook regels zijn op het gebied van huur­plafonds in functie van het in­komen.

-       Belgische aannemers zijn vaak klein (familiebedrijven, KMO’s), waardoor specialisatie en het doordringen van nieuwe technologieën in de sector worden bemoeilijkt.

-       België kent een gebrek aan gespecialiseerde vaklui, zoals installateurs verwarming.

-       Veel bedrijven van vaklui (bijvoorbeeld installateurs) zijn familiebedrijven, men ziet het vaak niet zitten (rompslomp) om extra personeel aan te werven of bijkomende opleidingen te volgen.

sp.a wil deze drempels wegwerken via een grootschalig actieplan voor het beter isoleren en effi­ciënter verwarmen van de bestaande woningen. De goed­koopste en milieu­vrien­de­lijkste ener­gie is immers deze die niet wordt gebruikt. Door het bestaande woningen­bestand te ‘e-noveren’, dit wil zeggen te renoveren zodat de energieprestaties gevoelig verbeteren, helpen we mensen te be­spa­ren op hun energiefactuur. De verschil­lende drempels voor e-novatie moeten gericht worden ge­slecht.

1.        Weten is meten: het aantal energiescans moet worden uitgebreid

Bij een energiescan wordt het huis kort bezocht door een deskundige. Hij of zij inspecteert de gebouw­schil (beglazing, aanwezigheid van isolatie, …), de verwarmingsinstallatie, de thermostaat en ondervraagt de bewoners over enkele gewoonten in verband met energie. Op basis van deze vaststellingen wordt dan een advies gegeven. Dit advies gaat over gedragsmaatregelen (zoals uitschakelen van de verwarming wanneer men afwezig is, uitschakelen verwarming in ruimtes waar geen verwarming nodig is, …), kleine inves­te­ringen (type thermostatische kranen, tocht­stro­ken) en een algemeen advies (vuist­regel) voor renovatie (type: dakisolatie betaalt zich gemid­deld terug op 6 jaar) en info over de beschikbare premies, subsidies, fiscale aftrek­mogelijk­heden, goed­kope leningen, enzo­voort.

Het voordeel van de energiescan is de laagdrempeligheid, het feit dat ook gedrag en elektrische ap­pa­raten worden bevraagd (in tegenstelling tot een energie-audit van de gebouw­schil) en de relatief beperkte kostprijs. Gedragsmaatregelen sorteren een onmid­del­lijk effect. Ook huurders kunnen via gedragsmaatregelen en kleine investeringen onmid­dellijk hun energiefactuur zien dalen. Bovendien kunnen zij met de lijst van vuist­regels en de inventarisatie van de gebouwschil de verhuurder aan­spre­ken. De energiescan is evenwel geen alternatief voor de energie-audit (onder meer in het kader van de EPB-regeling om een energiecertificaat te bekomen); deze vereist een grondiger onderzoek en vooral een  complexere berekening van de gebouwschil.

Momenteel voeren de distributienetbeheerders 50.000 gratis energiescans[16] uit in Vlaan­deren in de periode 2007-2009. Eens dit systeem op kruissnelheid is, moet het sterk worden uitgebreid. Als we vanaf 2010 100.000 extra scans plannen, kost dit jaarlijks 2.000.000 € extra. De distributienetbeheerders worden hiervoor gecompenseerd.

Voor het uitvoeren van kleine, energiebesparende maatregelen die gepaard gaan met deze scans (radiatorfolie, spaarlamp, spaardouchekop, buisisolatie) kan een beroep worden gedaan op sociale economie (de zogenaamde ‘energiesnoeiers’). Voor 100.000 scans betekent dit 187,5 voltijdse jobs[17].

2.       De renovatiepremie inzetten voor e-novatie

Sinds kort voerde de Vlaamse regering een renovatiepremie in voor eigenaars van woningen met een bescheiden inkomen. De renovatiepremie komt overeen met 30% van de renovatiekost van een woning, met een maximum van 10.000 euro. Doelstelling van de premie is een kwaliteitsverbetering van de woning. Als totaal budget wordt jaarlijks 50.000.000 € uitgetrokken waarbij dus minimaal 5.000 woningen per jaar grondig gereno­veerd kunnen worden.

Om te vermijden dat mensen hun huis renoveren maar nalaten het te isoleren wil sp.a de renovatie­premie koppelen aan de mate waarin men de energieprestaties van de woning verbetert. Zo mogen facturen voor nieuwe ramen enkel in aanmerking komen voor een premie als isolerende beglazing wordt geplaatst, facturen voor een nieuwe muur als de muur een spouw met isolatie of buitenisolatie bevat.

3.       Een energiezuinige woning moet een recht worden voor elke bewoner

Er bestaat een paradox dat de huurder het meeste voordeel haalt uit energiebesparende maat­regelen, terwijl het de eigenaar is die ze moet uitvoeren en betalen. Anderzijds stijgt de waarde van het patrimonium als de woning goed geïsoleerd is en voorzien van een performante verwar­mings­installatie. Aangezien elke huurwoning vanaf 2009 een energie­prestatiecertificaat zal hebben, is het energieverbruik van de woning vanaf dat moment bekend.

sp.a wil dat huurders het recht krijgen de huiseigenaar te verzoeken om energie­bespa­rende maatregelen uit te voeren indien uit het energieprestatiecertificaat zou blijken dat de woning een te groot energieverbruik heeft. In geval van betwisting moet hij dit recht kunnen afdwingen voor de vrederechter. Wanneer de vrederechter bepaalde investeringen oplegt, kan hij een gedeel­te van de verwachte winst op de energiefactuur aan de eigenaar toekennen, waardoor deze zijn investeringen geleidelijk kan terugbetalen.

sp.a wil dat het energieprestatiecertificaat moet worden geregistreerd samen met het huurcontract, waarvoor er nu een gratis registratie is. Op termijn mogen woningen waarvan het energiegebruik slecht is niet meer worden verhuurd voor bepaalde investe­ringen wor­den uitgevoerd.

4.       Een Alliantie voor Arbeid en Milieu

Naar het voorbeeld van Duitsland moet ook in ons land een ‘Alliantie voor Arbeid en Milieu’ worden afgesloten tussen werkgevers en werknemers uit bouwsector, milieu­vere­ni­gingen en overheid.

In Duitsland werd een ‘Bündnis’ gesloten tussen overheidsbesturen (Bund en Länder), onder­ne­mingen, milieuverenigingen en vakbonden. Een onderdeel van deze alliantie is het ‘Gebäude­sanierungsprogramm’. Het is tevens het bekendste en succesvolste onderdeel van de alliantie. Hiervoor werd in 2001-2004 1,12 miljard euro uitgetrokken, waardoor 4,4 miljard bijko­mende leningen werd toegekend, 25.000 banen gecreëerd (2004), 196.000 woningen gere­no­veerd, en 1 miljoen ton CO2 vermeden. Het regeer­ak­koord SPD-CDU/CSU van 11 november 2005[18] schrijft voor dat het budget wordt verhoogd tot jaarlijks 1,5 miljard €[19].

Naast extra middelen om goedkope leningen voor energiebesparing uit te voeren (zoals bij ons nu al gebeurt door het Fonds voor de Reductie van de Globale Energiekost, FRGE) en een grootschalig isolatieprogramma (zie verder) moet het pact ook zorgen voor bijkomende opleidingen en bij­scho­ling in de bouwsector, voor het versneld laten doorsijpelen van nieuwe technieken en technologieën op vlak van energiebesparing in de sector, voor het stimu­leren van de aanwerving van bijkomend personeel in kleine bouwbedrijven en voor het inzetten van sociale economie voor e-novatie­pro­gramma’s voor doelgroepen.

5.        Er moet een grootschalig programma voor dakisolatie en beglazing komen

sp.a wil dat een grootschalig actieprogramma voor beglazing en dak- en zoldervloerisolatie wordt uitge­werkt. Doelstelling moet zijn dat iedereen op zes jaar tijd zijn of haar woning kan uitrusten met dergelijke isolatie.

In ons land hebben nog te weinig woningen overal dubbele beglazing of dakisolatie[20]:

 

 

België

Brussel

Vlaanderen

Wallonië

Dubbele beglazing #

2.751.000

244.000

1.623.000

883.000

Dubbele beglazing %

71%

64%

72%

69%

Volledige dubbele beglazing #

773.000

81.000

438.000

255.000

Volledige dubbele beglazing %

36%

42%

35%

35%

Geïsoleerd dak #

1.822.000

128.000

1.114.000

580.000

Geïsoleerd dak %

57%

63%

58%

55%

Hoogrendementsbeglazing isoleert vijfmaal beter dan enkel glas en twee tot drie keer beter dan gewone dubbele beglazing.

 

Aantal woningen met enkele beglazing

1.123.648

 

m² beglazing bij een rijhuis (20 m² per rijwoning)

22.472.958

Kostprijs vervanging (70 €/m²)

1.573.107.042

Energiebesparing (0,87 GJ/jm²)

19.551.473

GJ

Besparing in € (10,8 €/GJ)

195.514.732

Besparing in CO2 (70,81 kg CO2/GJ)

1.384.439.820

kg CO2

Besparing in ton CO2

1.384.440

t CO2

 

Door in alle Belgische woningen dubbel glas (en dan ineens hoogrendementsbeglazing) en dak- of zoldervloer te instal­leren worden bijkomende banen gerealiseerd[21],[22]. Bijkomende voordelen van hoogrendementsbeglazing en dak- of zoldervloerisolatie zijn een betere akoestische isolatie (vliegtuigen, treinen, auto’s, straatlawaai), minder condens­problemen, minder tocht, …

Voor dakisolatie moet minstens 10 cm rotswol (of het equivalent in een ander isolatie­materiaal) worden gebruikt.

 

aantal daken

1.374.491

 

totaal dakoppervlak (gemiddelde opp. rijwoning:  40 m²)

54.979.649

kostprijs isolatie (erkend aannemer, geen dakkapellen
of veluxen): 2.172 € voor 40 m² dak

2.985.394.947

totale jaarbesparing in GJ (0,432 GJ/m²j)

23.751.208

GJ

totale jaarbesparing in €  (10,8 €/GJ)

237.512.084

totale jaarbesparing in kg CO2 (70,81 kg CO2/GJ)

1.681.823.068

kg CO2

totale jaarbesparing in ton CO2

1.681.823

t CO2

 

Het is duidelijk dat er grote financiële en psychologische barrières bestaan die het isoleren van woningen bemoeilijken. Daarom is een soort shocktherapie nodig: deze shock moet tweeërlei zijn:

1.       het verstrekken van gratis leningen (renteloze leningen) voor de isolatie van dak en de plaatsing van hoogrendementsglas;

2.       het vaststellen van een wettelijke norm waaraan bestaande woningen binnen de zes jaar moeten voldoen om te worden verhuurd.

Berekening van de kostprijs van een programma gratis leningen voor dakisolatie en dubbele beglazing:

 

kostprijs iedereen dubbel glas (zie hoger)

1.573.107.042

kostprijs iedereen dakisolatie (zie hoger)

2.985.394.947

totale investeringskost over zes jaar

4.558.501.989

totale investeringskost per jaar

759.750.332

€/j

leningspercentage FRGE

2

%

kosten gratis lening 2008

15.195.007

kosten gratis lening 2009

30.390.013

kosten gratis lening 2010

45.585.020

kosten gratis lening 2011

60.780.027

kosten gratis lening 2012

75.975.033

kosten gratis lening 2013

91.170.040

totale kost over zes jaar

319.095.139

 

Naast de kosten van de gratis lening, is er ook een belangrijk multiplicatoreffect: de totale investering over 6 jaar bedraagt immers 4.558 miljoen € of 14,3 keer meer dan de kost voor de overheid.

6.       Sociale woningen moeten worden ge-enoveerd

Sociale huisvestingsmaatschappijen bevinden zich vaak voor het dilemma dat zij de huurprijs voor hun huurders moeten optrekken als ze investeren in de woning, terwijl de huurprijzen geplafonneerd zijn en net de ’meerverdieners’ vaak reeds aan dit plafond zitten. Als de investeringen toch worden doorgevoerd, worden deze daarom nood­ge­dwongen verhaald op juist die huurders die het laagste inkomen hebben. Dat weerhoudt vele huisvestingsmaatschappijen ervan om in energiebesparing te investeren, met hoge energiefacturen voor juist een sociaal zwakke doelgroep tot gevolg.

Bijkomend probleem is dat veel sociale huisvestingsmaatschappijen niet de kennis of de tijd hebben om energiebesparende maatregelen uit te tekenen, te plannen of uit te voeren.

sp.a wil dat er een investeringsmaatschappij wordt opgericht die optreedt als ESCO (energy services company) voor de sociale huisvestingsmaatschappijen. Deze ESCO voert energie-audits uit, plant alle energiebesparende maatregelen, voert ze uit en financiert ze. Deze financiering wordt terugbetaald met een gedeelte van de besparing op de energie­factuur. Om dergelijke vormen van financiering (met overname van energiefactuur) mogelijk te maken, wordt het sociaal huurbesluit en het financieringsstelsel sociale woning­en aangepast.

Nieuwe woningen moeten steeds energiezuiniger worden

Woningen gaan in ons land erg lang mee, we bouwen nu al het woningenpark van 2050. sp.a wil dat woningen die zuiniger zijn dan de geldende energienormen (voorlopig het zogenaamde E-peil van 100) worden gestimuleerd. De geldende energienormen moeten ook systematisch worden aangescherpt in functie van de totale levenscycluskost van een woning (waarbij investeringskost en gebruikskosten over heel de levensduur worden in rekening gebracht). Een groeiend aandeel nieuwbouwwoningen moet bestaan uit passief­huizen, dit zijn woningen die zo performant zijn dat ze geen verwarmings- of koeling­installatie meer nodig hebben. Nieuwe woonwijken en kantoorgebouwen moeten tegen 2015 CO2-neutraal zijn.

7.        Voor nieuwe woningen: een E60-woning mag niet meer kosten

Sinds de invoering van de EPB-regeling (Energieprestaties en Binnenklimaat) werden de normen op vlak van energieprestaties en het toezicht daarop strenger.

In plaats van de vroegere isolatienormen (zogenaamde K-waarden) wordt er nu een globaal E-peil berekend. Dit houdt rekening met de isolatie van de woning (spouwisolatie, vloerisolatie, beglazing, dakisolatie), de verwarmingsinstallatie en de ventilatie. Dit E-peil mag voor een nieuw­bouw­woning maximum 100 bedragen (E100).

Wie verder gaat dan E100 en een E60-woning bouwt doet nog altijd voordeel: hij of zij verdient de meerkost immers na enkele jaren terug door een verlaagde energierekening. Voor vele bouwers betekent de meerkost om een E60-woning te bouwen in plaats van een E100-woning echter een on­over­brugbare meerkost, bijvoorbeeld omdat ze al aan de limiet van hun ontleningcapaciteit zitten.

Uit simulaties[23] blijkt dat de meerkost om een nieuwe E60-woning te bouwen in plaats van een E100-woning, afhankelijk van het type, tussen de 2 en de 5% bedraagt. De economisch-opti­male maatregelen hiervoor zijn dikkere isolatie (K33), een hoogrende­ments­gasketel en ther­mo­statische kranen op de radiatoren voor een rijhuis. Voor een apparte­ment moet men een hoogrendementsgasketel plaatsen, buitenzonnewering en een dikkere isolatie (K22).

sp.a wil dat de meerkost van een E60-woning wordt gesubsidieerd. We willen dit doen door de extra leningkost van een E60-woning de eerste vijf jaar volledig, de volgende vijf jaar gedeeltelijk terug te betalen. Na tien jaar vervalt de subsidie, maar is de investering al terugverdiend door de verminderde energiekost. Bijkomend voordeel is dat wie wil bouwen al bij het eerste bezoek aan de bank voor de bespreking van zijn hypothecair krediet, wordt gewezen op de mogelijkheid om verdergaand te isoleren. Uiteraard moet de subsidie mee-evolueren met de gangbare normen en technologie: als E60 de norm wordt moeten lagere E-peilen worden gesubsi­dieerd.             

Aangezien een E60-woning 40% minder energie verbruikt (2.600 kg CO2 per jaar minder uitstoot) betekent dit een jaarlijkse CO2-reductie van 154.251 ton.                                         

 

aantal nieuwe woningen in België

59.300

#/j

gemiddelde prijs nieuwbouwwoning

186.000

gemiddelde meerkost E60

4

%

meerkost E60

7.440

intrest meerkost (lening met vaste rente over 20 jaar)

50,2

€/maand

rentesubsidie eerste 5 jaar

602,4

€/j

rentesubsidie volgende 5 jaar

301,2

€/j

kosten systeem 2008

35.722.320

kosten systeem 2009

71.444.640

kosten systeem 2010

107.166.960

kosten systeem 2011

142.889.280

kosten systeem 2012

178.611.600

kosten systeem 2013

196.472.760

kosten systeem 2014

214.333.920

kosten systeem 2015

232.195.080

 

8.       Passiefhuizen moeten steeds meer ingang vinden

Passiefhuizen zijn woningen die zo goed geïsoleerd zijn (onder meer driedubbele begla­zing) dat ze geen verwarmingsinstallatie nodig hebben. Ze beschikken over een mecha­nische ventilatie waarbij de verse koudere lucht die binnenkomt (voor)verwarmd wordt met de uitgaande warme lucht. Opwarming gebeurt vooral met passieve zonne-energie, lichaamswarmte en de warmte van (elektrische) huishoudelijke apparaten (koelkast, PC, koken, ...). Slechts uitzonderlijk wordt de verse lucht bijverwarmd (eventueel ook met bodemwarmte). De woningen zijn in principe lucht­dicht (geen kieren) zodat men de lucht­ver­versing volledig onder controle heeft. Passief­huizen zijn comfortabel in zomer en winter, de lucht is vaak ook gezonder. De afgelopen tien jaar zijn in Europa meer dan 8.000 zoge­naamde passiefhuizen gebouwd.  Deze woningen (waarvan een opmerkelijk groot deel in Oostenrijk en Duitsland) demon­stre­ren dat dit een realis­tische optie is, zowel op technisch  als op economisch vlak. In de Oosten­rijk­se deelstaat Vorarl­berg zijn alle nieuwe sociale woningen vanaf 2007 passiefhuizen. De woningen zijn niet duurder als men de bouw­kosten én de gebruikskosten (energiefactuur) over de hele levens­­duur van de woning in rekening brengt. Nochtans, in België vinden we slechts enkele tien­tallen passief­huizen. 

Er is een meerkost verbonden aan de bouw van een passiefhuis, gemiddeld 7  à 12 %[24], en dat is op termijn een rendabele investering als je de lage energie­factuur in rekening brengt. Dezelfde techno­logie leent zich vanzelfsprekend ook voor kanto­ren, winkels, scholen e.d. Op termijn kunnen passief­huizen een vijfde pijler worden voor het pen­sioen­sparen, omdat de initiële meer­kost bij het bouwen wordt terugbetaald met de lagere energie­factuur (zelfs al rekent men met een normale intrest­voet) en uiteindelijk, als de lening is afbetaald, alleen de lagere energie­factuur overblijft. Met de stijgende energieprijzen worden ze alleen maar goedkoper. Mensen die een passiefhuis bouwen, zetten vaak door op de ingeslagen weg en proberen volledig onafhan­kelijk te worden op het gebied van energiegebruik. Met zuinige elektrische appa­ra­ten, een zon­ne­boiler (voor warm water) en zonne­cellen ligt die optie binnen bereik en worden deze woningen CO2-neutraal. Maar die inves­te­ringen hoeven niet tegelijk met de bouw te gebeuren. Passief­huizen kunnen met allerlei mate­rialen worden gerealiseerd, maar men ziet heel vaak toe­pas­sing van houtskeletbouw en dus van duur­zame, hernieuwbare bouw­mate­rialen. Door in te zetten op passiegebouwen en daarbij zo­veel moge­lijk te streven naar CO2-neutraliteit kan het energie­ver­bruik van Belgische woningen worden terug­gedrongen met meer dan 80% tegen 2050[25].

Om passiefhuizen op termijn algemeen ingang te doen vinden, moeten we nu al actie onder­nemen. sp.a wil daartoe in de aanloopfase dergelijke gebouwen stimuleren door de invoe­ring van een duidelijk keurmerk (dat ook de nodige kwali­teits­garanties moet bieden) en het weg­werken van de hinderpalen in de bouw­reglementering.

Daarnaast willen we ook de meerkost van passiefhuizen subsidiëren. We mikken het eerste jaar op 0,25% van de nieuwbouwwoningen. De sector van de passiefhuizenbouw staat in ons land nog maar in haar kinderschoenen. Elk jaar moet dit aandeel verdubbelen. Op deze manier betaalt een bouwer niet meer af dan wanneer hij een ‘gewone’ E100-woning zou hebben gebouwd. Bijko­mend voordeel is dat hij al wanneer hij naar de bank gaat om zijn hypothecair krediet te bespre­ken wordt gewezen op de mogelijkheid om een passiefhuis te bouwen.

 

aantal nieuwe woningen in België

59.300

#/j

gemiddelde prijs nieuwbouwwoning

186.000

Berekende meerkost passiefhuis

10

%

Berekende meerkost passiefhuis

18.600

Kost 0,25% passiefhuizen 2008

2.757.450

Kost 0,5% passiefhuizen 2009

5.514.900

Kost 1% passiefhuizen 2010

11.029.800

Kost 2% passiefhuizen 2011

22.059.600

               

Voor passiefhuizen werd in Oostenrijk een uitstoot vastgesteld van 1.039 kg of een besparing van 5.464 kg CO2; de CO2 besparing voor 2% van de nieuwbouwwoningen bedraagt dus 6.479 ton CO2. 

9.       Nieuwe sociale woningen moeten echt sociaal zijn: passiefhuizen dus

Passiefhuizen moeten ook worden gerealiseerd voor mensen met lagere inkomens. Het prijs­verschil tussen een gangbare woning en een passiefhuis wordt sterk bepaald door het type woning. Bij een alleenstaande woning is dat verschil merkelijk groter dan bij rijwo­ningen of apparte­men­ten. De verklaring is eenvoudig: het aantal vrijstaande muren dat moet worden geïso­leerd is groter bij een villa.

Als men een woning bouwt moet men de totale kost in rekening brengen: dat zijn bouwkosten en gebruikskosten. De energiefactuur is bij dat laatste doorslaggevend. Als men vaststelt dat de bouw­kosten in het algemeen, middels een lening, in de tijd worden gespreid, dan is het evident dat men de som maakt van de afbetaling van de lening en de energiekosten. Dan kan men vast­stellen dat de totale kost van passiefhuizen op een afbetalingstermijn van pakweg twintig jaar niet hoger is dan die van een gangbare woning. 

Als we de consument willen aanbevelen om de totale kost te bekijken, dan moet de overheid daarin het voorbeeld geven. Het is immers een kwestie van gezond verstand. Op basis van Duitse en Oostenrijkse ervaringen concludeert  sp.a dat ook bij ons op termijn in de sociale woningbouw (bij nieuwbouw) de passiefhuisstandaard algemeen moet worden toegepast. We willen dat er de komende jaren een groeiend aantal passiefhuizen wordt gebouwd in de sociale woningbouw. Op deze manier kan het passiefhuisconcept doordringen in de Belgische bouwsector en kunnen architecten en aannemers nuttige ervaring opdoen op dit vlak.

Op termijn moeten alle nieuwe sociale woningen passiefhuizen zijn.

 

gemiddelde kostprijs sociale woning

111.600

meerkost passiefhuis

10

%

meerkost passiefhuis

11.160

2008: 100 passiefhuizen

1.116.000

2009: 250 passiefhuizen

2.790.000

2010: 500 passiefhuizen

5.580.000

2011: 1.000 passiefhuizen

11.160.000

2012: 2.000 passiefhuizen

22.320.000

 

Voor passiefhuizen werd in Oostenrijk een uitstoot vastgesteld van 1.039 kg of een besparing van 5.464 kg CO2; de CO2 besparing voor 2.000 nieuwe sociale woningen bedraagt dus 10.926 ton CO2.

CO2-neutrale kantoorgebouwen en woonwijken

10.   Haalbaarheidsstudies voor passiefstandaard en CO2-neutraliteit in grote gebouwen en nieuwe woonwijken

In uitvoering van de Europese richtlijn, verplicht het Vlaams energiebesparingsdecreet (EPB) al om bij de (ver)nieuwbouw van grotere bouwvolumes (>1000 m² verwarmd) alterna­tieve energievoorzieningsystemen te onderzoeken (decentrale warmtekracht­kop­pe­ling, zonnecellen,...). Wij willen aan het lijstje van verplicht te onderzoeken technieken, ook de bouw volgens de passiefhuisstandaard toevoegen.

Ook voor nieuwe woonwijken (die gecombineerd een bouwvolume van meer dan 1000 m2 opleveren) willen wij in het kader van de verkavelingsvergunning een voorafgaand haal­baar­heidsonderzoek naar een CO2-neutrale inrichting (via zonnecellen, micro­turbines, collectieve verwarmingssystemen zoals warmtepompen of micro-warmte­kracht­koppeling op basis van hernieuwbare bronnen zoals houtpellets op pure plantaar­dige olie).

11.    Nieuwe kantoorgebouwen moeten een E-peil hebben van E60

Uit studies blijkt dat de meerkost van verdergaande energieprestaties bij kantoor­ge­bouwen relatief beperkt is. Simulaties wijzen uit dat de meerkost voor een E60-peil (in vergelijking met het wettelijk opgelegd E100-peil) tussen de 5 en de 10% ligt, afhankelijk van het type kantoorgebouw. Deze meeruitgave wordt echter na verloop van tijd terug­ge­won­nen door een vermindering van de energiefactuur. Een betere isolatie betekent voor kantoorgebouwen ook minder nood aan koeling in de zomer.

Op korte termijn willen we dan ook de E60-norm opleggen voor kantoorgebouwen. Samen met de ervaring die wordt opgedaan met de bouw van kantoorgebouwen in de passief­huisstandaard (zie vorige actie), verkleint dit de extra stap om te komen tot volledige CO2-neutrale kantoorgebouwen. Bij deze CO2-neutrale kantoorgebouwen wordt de relatief kleine hoeveelheid gevraagde energie uit hernieuwbare bronnen gehaald.

6.          Energiezuinige apparaten en materialen

Productnormen worden in belangrijke mate op Europees niveau bepaald. We moeten in Europa komen tot opschuivende normen, waarbij voorlopers (de meest zuinige apparaten) na verloop van tijd de norm worden.

De federale overheid moet dan ten aanzien van de op de Europese markt toegelaten producten, de fiscaliteit inzetten en zorgen dat de zuinigste toestellen financieel worden aangemoedigd terwijl zogenaamde ‘energievreters’ duur­der worden. Ook het overheids­aankoop­beleid moet zich exclusief richten op de meest energie-effi­ciënte apparaten en toepassingen.

Het bestaande systeem van energiepremies van de distributienetbeheerders moet worden ingezet om via premies voor energiezuinige toe­stellen deze ook binnen het bereik te brengen van de minst gegoeden in onze samenleving.

Het productbeleid moet ten slotte niet alleen focussen op het energieverbruik van toestellen en apparaten, maar ook op de energie-intensiteit van producten en materialen, de energie die voor de productie nodig was. Immers: ook de substitutie van energie-intensieve producten en materialen door alternatieven die voor hun productie minder energie vergen, kan een belangrijke bijdrage leveren tot het besparen op energie.

Daarnaast moet er ook op alle niveaus een doorgedreven sensibilisatiecampagne worden gevoerd om de consument te informeren over het bestaan van energiearme materialen en energiezuinige toestellen en het voordeel dat hij of zij daarmee kan behalen.

Een Europees energielabelingsysteem met opschuivende normen

Als consument kopen wij tal van gebruikstoestellen waarvan we bij de aankoop geen idee hebben van de energiekost die het toestel met zich meebrengt. Daarbij komt dat het hoge energieverbruik van het toestel over het algemeen geen kwalitatieve meerwaarde biedt. De toestellen zijn simpel­weg niet ontworpen in functie van een optimaal energieverbruik, terwijl dit wel mogelijk is. Zo ge­bruikten wasmachines in de EU samen 26 TWh per jaar in 2003, bij ongewijzigd beleid zullen ze in 2010 23 TWh gebruiken maar bij een ambitieuzer beleid slechts 14 TWh in 2010[26]. Voor koelkasten is besparing moeilijker: 103 TWh/j in 2003; 96 TWh/j in 2010 bij ongewijzigd beleid en 80 TWh/j bij een ambi­tieuzer beleid. Een elektrische spaarlamp gebruikt slechts een vijfde van een gewone gloei­lamp. LED’s gebruiken nog minder. Door gloeilampen te vervangen door spaarlampen of LED’s kan gemak­ke­lijk 100 € per huishouden per jaar worden bespaard. Californië en Australië hebben al een verbod op gloeilampen, Europa moet volgen.

Het tijdperk waarin nationale overheden volledig op eigen houtje de productstandaarden konden vast­leggen ligt inmiddels ver in het verleden. Belgische televisies of Belgische auto’s bestaan niet meer. Met de Europese interne markt hebben de Belgische overheden aan macht ingeboet en kunnen ze slechts regulerend optreden binnen bepaalde marges. Elke productstandaard moet immers Europees groen licht krijgen. Deze vaststelling mag niet leiden tot de conclusie dat het enkel de markt is die de wet dicteert en we er bijgevolg niets meer aan kunnen doen. De conclusie is wel dat we op verschillende niveaus en met een set aan instrumenten moeten handelen om klimaat­vriendelijke producten op de markt te krijgen en milieuschadelijke eruit te weren.

Het bestaande Europese systeem van energielabels moet worden uitgebreid en moet op een dyna­mische wijze naar boven worden herijkt. Hierbij bepalen de energiezuinigste appa­ra­ten de norm van morgen en worden de achterblijvers systematisch van de markt gehaald.

12.    Op Europees niveau ijveren voor strenge, opschuivende normen

Onze apparaten moeten tegen 2020 20% energie-efficiënter worden. Hiervoor is (Europe­se) norme­ring uiterst belangrijk.

Vanaf 2007 kan de herziening van de kaderrichtlijn 92/75/EG op het gebied van het Europese labelsysteem van start gaan. Hierbij is de doelstelling om in het kader van deze herziening de toepassing van labels zo ruim mogelijk te gaan toepassen en behalve consu­menten­producten ook installaties voor profes­sioneel gebruik te voorzien van energie­labels.

Binnen de Europese besluitvorming stellen we ons als concreet doel om tegen 2008 nieuwe normen te hebben voor de 14 prioritaire productgroepen. Deze 14 prioritaire product­groepen zijn: boilers, waterverwarmingsinstallaties, computers, beeldschermen, televisies, stand-by schakelaars, batterij­laders, kantoorverlichting, straatverlichting, air­con­ditioning voor binnenhuis, elektrische motoren, commerciële koelinstallaties, koel­apparaten voor privaat gebruik en wastoestellen. Voor elk van deze productgroepen moet de norm een heel stuk lager liggen dan het verbruik van de energie­vreters en moeten de energievreters en de energieverslindende stand-by schakelaars van de markt verdwijnen.

België moet hierbij ijveren voor een dynamisch systeem waarbij de 10-20% beste pres­teer­ders een A-label krijgen en waarbij de productgroepen op zeer regelmatige basis opnieuw geëvalueerd en herijkt worden.

Op Europees niveau moeten er ook afspraken komen dat het systeem van energielabels kan worden ge­sti­muleerd met fiscale instrumenten, informatiecampagnes en een gericht aan­koop­beleid door de overheid.

‘Energievreters’ ontmoedigen

13.    Een fiscaal beleid dat energievreters ontmoedigt

De federale overheid moet op een systematische wijze de A-labels (inclusief A+ en A++) fiscaal bevoordelen en apparaten en toestellen die overmatig veel energie verbruiken bestraffen (labels E, F, …). Samen met het toekennen van aankooppremies voor deze apparaten door de distributienetbeheerders, moet dit ervoor zorgen dat de best presterende toestellen in ieders bereik komen. Nu is het vaak zo dat mensen met een beperkt inkomen verplicht zijn toestellen met een slecht label te kopen omdat ze niet over de middelen beschikken om A-toestellen te kopen.

De verkoop van spaarlampen gaat in stijgende lijn. Niettegenstaande deze trend, blijft er een groot potentieel voor de huishoudelijke markt bestaan. Een vermindering met 50% van het huishoudelijke elektriciteitsverbruik voor verlichting in België zou een besparing van 2,85 TWh/jaar opleveren (3,5% van het eindverbruik voor elektriciteit) . Bij een gemiddelde emissie van 325g CO2 per kWh (of 325 t per GWh) zou dit een vermindering zijn van iets minder dan een miljoen ton CO2. In afwachting dat deze energie-efficiënte normen op Europees vlak van toepassing worden moet de verkoop van minst energie-efficiënte lampen en verlichtingsapparatuur sterk worden ontmoedigd[27]. Een vrijwillig akkoord moet hierover worden gesloten met de productie-,  import- en distributiesector van lampen en verlichtingsapparatuur. Voorbeelden van verlichting die het minst energie-efficiënt zijn:

-       staande lampen op basis van halogeenlampen (“uplighter”);

-       halogeenlampen met een vermogen van meer dan 150 Watt.

14.    Een doorgedreven sensibilisatiebeleid

De overheid moet informatie­campagnes voeren en zal in het overheidsaankoopbeleid enkel nog kiezen voor A-labels in die productgroepen waar labels toegepast worden. Een goed voorbeeld is de campagne rond energievreters die minister Tobback in 2006 lan­ceerde en de bijhorende reken­module[28] om vrij eenvoudig het (meer)verbruik van bestaande toestellen te berekenen, alsook de ’winst‘ die gemaakt kan worden met de aan­schaf van zuinige apparaten.

7.           Een intelligent gebruik van mobiliteit

Mobiliteit, vooral gemotoriseerd transport, is één van de belangrijkste en nog steeds stijgende bronnen van CO2-uitstoot.

Om de uitstoot van broeikasgassen door transport te reduceren moeten we op verschil­lende vlakken handelen.

-       een gedegen locatie- en ruimtelijk beleid in functie van een beperking van nodeloze verplaat­singen, een optimale inzetbaarheid van de milieuvriendelijkste transport­modi en een effi­ciënt gebruik van het gebruikte transport;

-       de efficiëntie van het transportnetwerk zelf;

-       technologische innovaties die de uitstoot van broeikasgassen reduceren.

Het spreekt voor zich dat een gedegen locatiebeleid van zowel wonen, werken, recreëren als andere functies zorgt voor een minimaal aantal nodeloze verplaatsingen. De duur­zaamste verplaatsing is nog steeds de verplaatsing die niet hoeft plaats te vinden. Kinderopvang nabij de werkplaats, thuiswerk en andere maatregelen komen hiervoor in aanmerking. Een verhoging  van het fietsgebruik voor de korte afstanden en in steden draagt ook bij tot een milieuvriendelijke mobiliteit. Dit betekent dat we waar dit ruimtelijk kan zonder milieuhinder, zoveel mogelijk functies moeten verweven. Waar ruimtelijke scheiding toch aangewezen of noodzakelijk is, moeten we op zoek naar multimodaal ontsloten gebieden voor vervoersgenererende activiteiten zoals kantoren, winkel­centra en (distributie­)be­drijven.

Ons huidig transportsysteem is zeer inefficiënt. Onze wagens staan meer dan 90% van de tijd stil, vrachtwagens rijden nog al te veel leeg rond en bovendien staan we samen bijna 10 miljoen uren in de file. sp.a wil daarom versneld werk maken van enkele slimme mobiliteitsmaatregelen zoals auto­delen, dynamisch verkeersmanagement en een sterk uitge­bouwd en kwaliteitsvol openbaarvervoersnetwerk. 

De gemotoriseerde wereld van de mobiliteit is doorheen de jaren steeds een technologische inno­va­tor geweest en ook nu rekenen we erop dat de sector en de overheid samen werken aan een duurzame mobiliteit. Technologische ontwikkelingen zoals de katalysator en de roetfilter hebben bij­gedragen tot minder uitstoot van vervuilende stoffen, maar het verbruik en de CO2-uitstoot zijn per voertuigkilometer niet evenredig gedaald. De technologie van de toekomst zal daarom veel meer worden toegespitst op de reductie van CO2. Elektromotoren voor recreatief bootgebruik, pedelecs ter vervanging van bromfietsen, (plug-in) hybride wagens en brandstofcelwagens op groen gepro­du­ceerd waterstofgas, behoren tot de innovaties die door de overheid ondersteund dienen te worden. In het openbaar vervoer moeten we systematisch meer bussen inzetten die op pure plantaardige olie rijden of een hybride motor of brandstofcel hebben. Via het bevorderen van de doorstroming en door het inzetten van energiebesparende technologie (zoals vliegwielsystemen die verloren energie bij het remmen recupereren), wordt ook de energie-efficiëntie van onze trams en metro’s verbeterd. Door meer gebruik te maken van biobrandsotffen in dieseltreinen en binnenvaartschepen, kunnen deze vervoersmodi op vlak van eco-efficiëntie ver voorop blij­ven lopen.

De organisatie van ons vervoerssysteem verbeteren

Ons vervoerssysteem is niet altijd optimaal georganiseerd. Logistieke centra worden soms ingeplant op plaatsen waar overslag op binnenschip of spoor onmogelijk is. Vele industrieterreinen, kantoorparken en winkelcentra zijn moeilijk bereikbaar met het open­baar vervoer. Bedrijven leggen soms shuttles in zonder hiervoor samen te werken met andere bedrijven in de buurt.

15.    Locatiebeleid, bedrijfsvervoerplannen en mobiliteitsconvenanten

Voor de inplanting van transportgenererende activiteiten moeten locatievoorwaarden worden op­ge­maakt. Naar analogie van de milieueffectrapportage, worden deze activiteiten onderworpen aan een mobiliteitseffectenrapportage (mober) die de basis kan vormen voor specifieke vergunnings­voor­waar­den (mini­male opslagruimte om sterk wegafhankelijke ‘just-in-time’ logistiek te vermijden, de inleg van pendeldiensten van kantoorcomplexen naar treinstations,...).

sp.a streeft naar een sociaal mobiliteitspact tussen overheid, vakbonden en werkgevers. Tegen 2010 wil sp.a dat ieder bedrijf of elke vestiging met meer dan 100 werknemers een bedrijfs­vervoer­plan opstelt en gegevens daarvan verstrekt aan de overheid en de sociale partners. Overheid, werkgevers en vakbonden engageren zich in concrete doelstellingen en projecten. Naar analogie van het Brussels Gewest wordt er alvast een gezamenlijke toolbox voor de sociale actoren uitgewerkt om bedrijfsvervoer­plannen te bevorderen.

Bepaalde bedrijven die veel vervoer veroorzaken kunnen een ‘mobiliteitsconvenant’ afsluiten met de overheid. Hierin engageren ze zich om een aantal rendabele maatregelen uit te voeren om hun vervoersbewegingen te rationaliseren. Indien verscheidene bedrijven gezamenlijk op een bepaalde site (bijvoorbeeld industrieterrein) zijn gevestigd worden zij aangemoedigd gezamenlijk dit conve­nant af te sluiten.

16.    Distributiecentra concentreren in de ‘poorten’: (binnen)havens, overslagplaatsen

Ons land kent enkele mainports van internationaal belang: in eerste instantie denken we hierbij aan de luchthaven van Zaventem en de haven van Antwerpen. Ook de andere zeehavens zijn belang­rijke in- en uitvoerplaatsen waar onze logistieke sector nauw mee verbonden is.  Aangezien België een logistiek centrum is binnen Europa, is het van belang dat de grote logistieke spelers een multi­modale vestiging krijgen in de grote mainports. Voor de Vlaamse havens stelt sp.a multi­modaal ontsloten terreinen voor waar distributiecentra zich kunnen ves­tigen. Multimodaliteit vereist immers een behandeling van een groot volume aan goe­de­ren. Slechts door goederenvolumes te bundelen kunnen rendabele spoor- en binnen­vaart­shuttles wor­den ingelegd naar knooppunten in het achterland. Het concessie- en tarievenbeleid moet de inzet van binnenvaart en spoor stimuleren. Bijkomend wil sp.a een verdere uitbouw van extended gate­ways enkel onder­steunen indien deze een duurzaam transport­alternatief bieden. Daarom is ook bij de inplanting van Europese Distributiecentra (EDC) in het achterland, een multi­modale ont­sluiting en ruimtelijke clustering noodzakelijk. Plannen voor de inplanting van EDC’s (of parken voor EDC’s) moeten het voorwerp zijn van een mobiliteits­effecten­rapport en in de vergun­ningen voor dergelijke centra moeten voorwaarden kunnen worden opgelegd op het gebied van afhandeling via spoor of binnenvaart.

Investeren in de structuur van ons transportsysteem

Het openbaar vervoer blijft een belangrijk middel om de CO2-uitstoot van ons transport te beperken. Na een lange periode van bezuinigingen op het openbaar vervoer is recent het aanbod van trein, tram en bus weer uitgebreid terwijl de tarieven aantrekkelijk werden gehouden. Dit is zo’n succes dat dit op een aantal lijnen ongemakken voor de reiziger met zich meebrengt. Bijkomende inves­te­ringen zijn nodig om deze groei op te vangen en te versterken.    

Op vlak van goederentransport zien we dat het vervoer per trein deze trend niet volgt, terwijl ook de groei van de binnenscheepvaart vertraagt. Dit vergt belangrijke investeringen in efficiëntie en overslag tussen de verschillende transportmodi.

17. Blijven investeren in het openbaar vervoer voor reizigers

De fileproblematiek concentreert zich in België vooral rond de grote steden en dan nog vooral rond Brussel. Om pendelaars een betere dienstverlening te kunnen aanbieden bouwen we het gewestelijk expresnet (GEN) rond Brussel uit. Dit vervoers­con­cept in een regio van 30 km rondom Brussel zal zorgen voor een optimalisatie van het openbaar ver­voer. De GEN-treindiensten zullen geleidelijk worden uitgebreid, in de mate dat de nodige infrastructuur ter beschikking komt. Tegen 2012 wil sp.a dat het GEN op volle toeren kan draaien. Dit zal een toename betekenen van het aantal zitplaatsen met 20.000 plaatsen op de GEN-specifieke stellen, een hogere frequentie voor de reizigers en een aantal geoptimaliseerde aansluitingen om in Brussel te geraken. Het GEN behelst 350 km spoorlijnen, 120 stopplaatsen en stations en 640 treinen per dag om meer mensen te kunnen vervoeren. Er zal een dubbelspoortunnel worden gebouwd tus­sen Schuman en Josa­phat om de lijn Brussel-Ottignies te verbinden met de lijn Halle – Vilvoorde. Boven­dien komen er vijf trajecten  van vier sporen om de afwikkeling van snelle IC/IR-treinen mogelijk te maken in combinatie met frequent stoppende treinen. De spoorlijnen die hiervoor uit­ge­rust worden, zijn: Brussel – Halle (klaar), Brussel –Leuven (klaar), Brussel – Ottignies (uit te voeren), Brussel – Nijvel (uit te voeren) en Brussel –Denderleeuw (uit te voeren).

Het GEN-project plant niet enkel spoorverbindingen maar zal ook een aantal buslijnen versterken of inleggen om die zones te bedienen waar de trein niet langskomt. Wat betreft Vlaams-Brabant zal het GEN-concept nog versterkt worden met de ideeën uit het Brabant-Brussel-net (BB-net) en de plannen rond het START-project rondom de luchthaven Brussel-Nationaal. Het openbaar vervoer vanuit Brussel naar de randgemeenten dient te worden versterkt, onder meer door een te bestuderen vertramming en uitbreiding van lijnen.

Bovendien wordt de bereikbaarheid van de luchthaven Brussel-Nationaal via het spoor verbeterd door het Diabolo-project waardoor zowel de aansluiting van de luchthaven met de lijn Brussel-Antwerpen (richting Mechelen: uit te voeren) als met de lijn Brussel-Luik (richting Leuven: klaar) verzekerd wordt.

We voeren eveneens het Spartacusplan en het Pegasusplan uit waardoor we zowel in Lim­burg als rond de steden Gent en Antwerpen een degelijk openbaarvervoersnet kunnen uit­bouwen. Con­cepten van sneltrams of lightrail zullen in dit licht worden uitgewerkt. Rond Antwerpen valt deze uitbreiding van het openbaar vervoer samen met de extra aandacht voor fietsers en voetgangers in het Masterplan dat de stad bereikbaarder en veiliger maakt en de woonomgeving aantrekkelijker. De verdere uit­bouw van metro, tram en bus in Brussel is essentieel voor de mobiliteit in onze hoofdstad en voor haar leef­baar­heid. Bovendien blijven we vasthouden aan een onderbouwd en gunstig tariefbeleid op het gebied van open­baar vervoer, zodat openbaar vervoer, niet alleen in de spitsuren maar ook in de daluren, een aan­trek­ke­lijk alternatief is en blijft. Ticket-integratie (smartcard) moet dit nog aantrekkelijker maken.

18.   Blijven investeren in het goederenvervoer per spoor

sp.a wil tegen 2020 het aandeel van het spoorvervoer in de Haven van Antwerpen verhogen tot 15 à 20% (komende van 8%). Hiervoor zijn verschillende infrastructurele maat­regelen noodzakelijk.  De Gentboog  die zal zorgen voor een rechtstreekse verbinding tussen de Waaslandhaven en de havens van Gent, Zeebrugge en Noord-Frankrijk zal in de loop van 2007 afgewerkt worden. Aansluitend zullen de werken voor de Liefkenshoek­spoortunnel starten. Vanaf 2012 moet deze tunnel zorgen voor een verbinding tussen de Waaslandhaven en het vormingsstation Antwerpen Noord.  Alleen al vanuit de Waasland­haven moeten we op termijn meer dan 1 miljoen containers kunnen afvoeren via het spoor.

19.    Blijven investeren in binnenvaart

De Seine-Scheldeverbinding is voor de binnenvaart één van de prioritaire projecten in het Trans-Europees Netwerk voor goederenverkeer. Alle Noordzeehavens van het Schelde­bekken worden op deze manier verbonden met de Seine-Nord in Frankrijk. Vanaf 2009 moeten de werken hiervoor beginnen. In Antwerpen worden de binnenvaartprojecten uit het Masterplan verder uitgevoerd, waaronder de renovatie van de Royersluis en de verhoging van de bruggen over het Albertkanaal, waardoor het kanaal geschikt wordt voor vaartuigen tot 9.000 ton. Ook de haven van Zeebrugge moet beter bereikbaar zijn per binnenschip.

20.   Subsidiëring van overslagterminals voor spoor en binnenvaart

Spoorwegen en binnenvaart beschouwen we als meer milieuvriendelijke transportwijzen. De meer­kosten van deze vervoerswijzen situeren zich hoofdzakelijk in de overslag van de goederen. De subsidieregeling voor overslag moet ervoor zorgen dat de duurzamere transportwijzen economisch concurrentieel zijn met het wegvervoer. Alle grote industriegebieden en stedelijke agglomeraties binnen Noordwest-Europa zijn vlot bereikbaar per spoor en binnenschip. sp.a vraagt dat het Vlaams Gewest op korte termijn (5 jaar), in navolging van het Waals Gewest, een subsidie voor overslagmateriaal toekent van 21% voor alle materieel die overslag goedkoper maakt.

sp.a wil geregelde diensten van intermodaal transport stimuleren. We zetten piloot­projecten op die kunnen worden gesubsidieerd (Frankrijk: 15 euro/eenheid intermodaal transport). Deze maatregelen werden door de EU al goedgekeurd in onze buurregio’s en dienen bijgevolg ook gemeengoed te worden in Vlaanderen. In 2005 waren er in Vlaanderen 1,6 miljoen eenheden, wat een kost van 24.000.000 € met zich zou meebrengen.  

Vergroening van het transport

21.    De Belasting op inverkeerstelling (BIV) afhankelijk maken van CO2-uitstoot

De Belasting op de InVerkeerstelling (BIV) is momenteel gebaseerd op de zogenaamde ‘fiscale PK’s’, grosso modo een maat voor het vermogen van de motor. Deze is verouderd. In verschillende buurlanden (Duits­land, Denemarken, Nederland) zijn gelijkaardige belas­tingen gebaseerd op de CO2-emissies van de verkochte wagens. In deze landen werd een versnelde ingebruikname van CO2-zuinige auto’s vastgesteld. De BIV is een belasting die sterk doorweegt in de besluit­vorming bij de aankoop van een voertuig. Ze moet immers onmiddellijk na de aankoop worden betaald, waar andere belastingen (verkeersbelasting, accijnzen op de brandstof) pas later worden opgemerkt. De huidige fiscale aftrek voor zuinige wagens is pas bij de belastingafrekening voelbaar, dus 2 jaar later. De positieve milieu-impact van een modulering van de BIV op het aankoopgedrag is dus groot. Bovendien maakt deze modulering het mogelijk de stijgende verkoop van gulzige zware terrein­wagens, 4X4’s, SUV’s, … in te dammen. De kans is groot dat Europa sowieso gaat verplichten de BIV (gedeeltelijk) CO2-afhankelijk te maken. De modulering van de BIV naar CO2-uitstoot is tevens de gelegenheid om een korting op of vrijstelling van de BIV te geven voor experimentele, zuinige technologieën, zoals de plug-in car.

sp.a wil de BIV afhankelijk maken van de CO2-uitstoot van een wagen. Hierover dienden Bart Martens en Joris Vandenbroucke al een voorstel van decreet in. De operatie is budgetneutraal en levert  een CO2-besparing van 600.000 ton op in Vlaanderen alleen[29].

22.   De verkeersbelasting vervangen door een bijkomende bijdrage op brandstof

De verkeersbelasting belast auto’s onafhankelijk of ze veel of weinig rijden. sp.a wil de belastingen op auto’s verschuiven van belastingen op het bezit van een wagen (zoals de verkeersbelasting) naar een belasting op het verbruik. Zo’n belasting wordt best gedifferentieerd naar type wagen (en bijhorende vervuiling), sociale criteria, plaats en moment van het wagengebruik, enzovoort. Tot een dergelijke ‘slimme kilometerheffing’ technisch en operationeel mogelijk is, wil sp.a bestaande, ‘vlakke’ kilometerheffing in de vorm van de accijnzen op brandstoffen inzetten. sp.a stelt dan ook voor om de verkeers­belasting (1.307.000.000 €) af te schaffen en op een budgetneutrale manier te vervangen door een accijnsverhoging op diesel en benzine.

Ook voor het vrachtverkeer dringt een verdere variabilisering van de belastingen zich op. Dat kan als ook ons land afstapt van het (forfaitaire, vaste) Eurovignet voor vrachtwagens en aansluit bij het Duitse systeem van een kilometerheffing (Lkw Maut) voor vrachtverkeer, indien mogelijk samen met de andere landen waar het Eurovignet nog wordt toegepast. Door de kilometerheffing te differentiëren naar de voertuigkarakteristieken en eventueel naar het tijdsstip van verplaatsing, kan ook een versnelde inzet van milieuvriendelijke vracht­wagens worden gestimuleerd en een ver­schuiving van de piekuren naar de daluren. Deze kilometerheffing moet dan worden ge­com­penseerd via de brandstofprijzen. 

23.   De Europese CO2-norm voor wagens verstrengen tot 120 g/km

De transportsector neemt binnen de Europese Unie 20% van de consumptie van primaire energie voor zijn rekening. 98 % hiervan is fossiele brandstof. Met het oog op het terugdringen van de CO2-emissies van personenvoertuigen koos de Europese Unie eerder voor een systeem van vrijwillige akkoorden met de sectorfederaties waarbij het de doelstelling was om tegen 2008/2009 de gemiddelde uitstoot van CO2 te beperken tot 140 g/km. De kans dat men deze doelstelling haalt is zeer klein: in de periode 1995 – 2004 daalde de CO2-uitstoot slechts van 186 g tot 162 g/km. Nochtans schat de Europese Commissie momenteel dat de emissies van transport tegen 2020 een reductie­potentieel hebben van 26%. Omdat de vrijwillige aanpak duidelijk tekortschoot in het berei­ken van resultaten dient het geweer nu van schouder veranderd te worden en moet er dringend een Euro­pe­se wetgeving komen die de doelstelling van 120 g/km tegen 2012 uitwerkt. Deze Europese wet­ge­ving zal op zijn beurt door federale en gewestelijke overheden met fiscale en economische instru­menten ondersteund worden. Op Europees niveau moet er ook worden gewerkt aan nieuwe normering op het gebied van banden en bandenspanning (dit leidt tot een brandstofefficiënte tot 5%) en op het gebied van brandstofkwaliteit (dit kan jaarlijks tot 1% efficiëntie leiden).

24.   Carsharing blijven promoten

Autodelen is een systeem waarbij een aantal auto's op verschillende, bepaalde plaatsen in een stad (of verscheidene steden) ter beschikking staat van mensen die op het systeem aangesloten zijn of dit in onderling overleg organiseren. De vaste kosten zijn beperkt, de gebruiker betaalt hoofdzakelijk een vergoeding voor het gebruik van de wagen. Een doorsnee wagen wordt meestal slechts voor enkele procenten van zijn levensduur effectief gebruikt, de rest van de tijd staat de wagen onbenut stil. Dat geldt in het bijzonder voor burgers die zich vaak verplaatsen met het openbaar vervoer of de fiets. Autodelen biedt hier een antwoord en kan het sluitstuk vormen op het openbaar vervoer voor diegenen die zich hoofdzakelijk met het openbaar vervoer of met de fiets verplaatsen. maar in bepaalde gevallen toch een auto nodig hebben (boodschappen, weekendtrip, ...).

Momenteel wordt autodelen georganiseerd in 6 Vlaamse steden en in Brussel. sp.a wil autodelen binnen 5 jaar in elke Vlaamse centrumstad uitbouwen. Tegen 2020 moet het in elke gemeente of binnen intergemeentelijke samenwerkingsverbanden voor alle Vlamingen mogelijk zijn om deel te nemen aan autodeelprojecten. sp.a streeft zo naar een terbeschikking­stelling van wagens voor iedereen zonder dat iedereen zelf een wagen bezit. Voor Brussel steunt sp.a de plannen om het autodeelnetwerk tegen 2010 uit te breiden tot een 40-tal standplaatsen met een aanbod van meer dan 230 wagens.

Carsharen moet ook worden gepromoot bij privé-bedrijven, als alternatief voor een bedrijfsvloot. Ook carpoolen moet verder worden aangemoedigd. De uitbouw en het promoten van carpoolparkings en een carpool­data­bank moet worden voortgezet.

25.    De bedrijfswagenvloot vergroenen: met 20% in 4 jaar

45% van de nieuw verkochte auto’s is een firmawagen (jaarlijks ca. 220.000 auto’s), hoe­wel ‘slechts’ 6% van de gezinnen over een bedrijfswagen beschikt. Dit betekent dat be­drijfs­wagens relatief snel worden doorverkocht en in het niet-bedrijfswagencircuit wor­den gebracht. Door de vloot bedrijfswagens in ons land te vergroenen, kunnen moder­ne techno­logieën, zoals hybride wagens, plug-in cars of relatief kleine wagens met een beperkt verbruik, snel worden geïntroduceerd in het Belgisch wagenpark en kan de uitstoot ver­sneld worden beperkt.

De forfaitaire belasting op bedrijfswagens is afhankelijk van de privaat gereden kilometers met inbegrip van de afstand woon-werk (beperkt tot 5.000 of 7.500 km per jaar forfaitair) en van de fiscale PK van de wagen. Het bedrag per kilometer varieert van 0,16 €/km (PK4) tot 0,44 €/km (PK 19 en meer). sp.a wil dat de belasting op bedrijfswagens wordt ver­groend door het extralegale voordeel te berekenen volgens de CO2-uitstoot van bedrijfs­wa­gens. Op deze manier worden zuinige wagens bevoordeeld terwijl het berekende extra­legale voordeel stijgt voor benzineslikkers. Zo worden bedrijven gestimuleerd hun bedrijfs­wagen­vloot (drastisch) te vergroenen. Dit moet gebeuren in overleg met de sector, maar met een duidelijke doelstelling: in 4 jaar tijd moet de CO2-uistoot van de bedrijfs­wagen­vloot met minstens 20% teruglopen. Vermits bedrijfswagens na enkele jaren worden door­verkocht aan particulieren betekent dit tevens een vergroening van het gehele wagen­park. De­ze hervorming moet budgettair neutraal zijn maar moet een winst in CO2-reductie ople­ve­ren.

Ook de sociale zekerheidsbijdrage op bedrijfswagens moet sterker worden gemoduleerd naar CO2-uitstoot. Momenteel is er een forfait van 250€ waarbij 9€ per g CO2/km wordt geteld. sp.a wil het forfait afschaffen voor wagens die 90 g CO2/km gebruiken en er 12 €/g bijtellen. De opbrengst hiervan bedraagt voor het huidige wagenpark 15.000.000 €.

26.   Bedrijven verplichten een evenwaardige passe-partout portefeuille aan te bieden als ze een bedrijfswagen aanbieden

Heel wat bedrijven bieden aan een gedeelte van hun werknemers een bedrijfswagen aan als extralegaal voordeel. Voornaamste bedoeling van het bedrijf is aan alternatieve loonvorming te doen, vaak heeft de werknemer in kwestie geen wagen nodig voor zijn woon-werkverkeer of vervoer voor het werk. In sommige gevallen zou de werknemer zelfs opteren voor een alternatief (als zowel zijn woning als het bedrijf goed bereikbaar is met het openbaar vervoer), maar wordt hem dit niet aangeboden of is het alternatief financieel minder aantrekkelijk.

sp.a wil dat er een passe-partout openbaar vervoer + autodeelabonnement + taxi + fiets portefeuille wordt ontwikkeld waarbij de gebruiker allerlei vormen van openbaar vervoer (bus, trein, tram, metro, maar ook internationale Thalys-, Eurostar- en TGV-ritten), carsharing, taxi en huurfietsen kan gebruiken. Werkgevers die hun werknemers een bedrijfswagen aan­bieden moeten de werknemer laten kiezen tussen een wagen of een dergelijke portefeuille voor hetzelfde bedrag. Vermits de portefeuille niet enkel kan worden gebruikt voor het woon-werkverkeer (het abonnement), maar ook voor vakanties (andere treinritten, Thalys, TGV, Eurostar), voor utilitaire ritten voor het gezin (carsharing) of voor andere ritten (taxi) biedt zo’n portefeuille een aantrekkelijk alternatief voor heel wat werknemers.

27.    De aftrekbaarheid van brandstofkosten voor bedrijven aan banden leggen

Een firmawagen rijdt jaarlijks dubbel zoveel als een ‘niet-firmawagen’ (35.759 km ten opzichte van 16.786 km voor een niet-firmawagen). Ontegensprekelijk heeft de zoge­naamde ‘tank­kaart’ die heel wat bedrijven hun werknemers ter beschikking stellen (en die ook voor privé-gebruik geldt, al dan niet in het buitenland) voor gevolg dat de wagen meer wordt gebruikt. Bedrijven kunnen de kosten hiervan dan weer voor 100% aftrekken, waardoor zij minder vennoot­schapsbelasting betalen. Sinds 1989 zijn de andere kosten van personenwagens (af­schrij­vingen, leasing, ...) slechts voor 75% aftrekbaar. Een uitzon­de­ring werd echter gemaakt voor brand­stof­kosten, die voor 100% fiscaal in rekening kunnen worden gebracht. sp.a wil dat deze uitzon­dering vanaf 2008 wordt afgebouwd. Vanaf 2011 moet de aftrekbaarheid tot 75% worden beperkt.  

Door de aftrekbaarheid van brandstofkosten voor bedrijven te verlagen van 100 naar 75% zullen bedrijven minder kunnen aftrekken van hun vennootschapsbelasting. Ofwel dragen zij deze kost, ofwel spreken ze met hun werknemers (gebruikers van firmawagens) een rationalisering af in het autogebruik voor privé-doeleinden. De opbrengst wordt op jaarbasis geraamd op 197.000.000 €.

28.   Het aandeel van duurzame biobrandstoffen optrekken tot 10%

Naast efficiëntere motoren, zorgt ook een ’vergroening’ van de motorbrandstoffen voor een vermindering van de CO2-uitstoot door het transport. In 2003 werd op Europees niveau de richtlijn 2003/30 op het gebied van biobrandstoffen over­eengekomen. Deze richtlijn heeft de indicatieve doelstellingen om tegen 2010 het aandeel van biobrandstoffen te verhogen tot 5,75%. Op Belgisch niveau werd deze richtlijn omgezet en werd er door een systeem van vrijstelling van accijnzen en een openbare aanbesteding met duurzaamheidcriteria vanaf 2006 gestart met het op de markt brengen van biobrandstoffen. In een volgende fase kan het aandeel van biobrandstoffen verder worden opgetrokken. Gezien het potentieel van bio­brandstoffen door de Europese Commissie momenteel wordt geschat op 14 % van het markt­aandeel van de transportbrandstoffen is 10% een zeer redelijke doelstelling. De toename van bio­brand­stoffen kan komen van bio-ethanol en biodiesel. Bio-ethanol wordt momenteel gewonnen uit granen, suikerbieten en suikerriet en in een volgende generatie kan bio-ethanol uit onder meer afval worden gewonnen. Voor biodiesel wordt vooral koolzaadolie gebruikt en dit aangevuld met kleinere hoeveelheden palmolie en sojaolie. Een tweede generatie biodiesel kan worden gewonnen uit hout, maïskolven, stroresten, enzovoort. Mits aanpassingen aan de motor, kunnen voertuigen ook rijden op 100% puur plantaardige olie.

De uitdaging bij biobrandstoffen bestaat er in het bijzonder in dat een toename van de vraag niet leidt tot verdere ontbossing en het daarmee gepaard gaande verlies aan biodiversiteit en de uitstoot aan broeikasgassen. Daarom zal er naar analogie van bijvoorbeeld de FSC-certificering voor hout, ook met een duurzaamheidcertificaat voor de ingrediënten van biobrandstoffen moeten worden gewerkt. De federale overheid zal in het kader van het systeem van fiscale vrijstelling de criteria voor duurzaamheid verder verfij­nen en vervolledigen.

Biobrandstoffen moeten ingezet worden in het wegverkeer, maar we stimuleren eveneens het gebruik ervan in dieseltreinen,  in de binnenvaart en in de bussen van het openbaar vervoer.

Fietsen als gezond en milieuvriendelijk alternatief

29.   Bijkomend investeren in fietsinfrastructuur

De overheid blijft een sleutelrol spelen in het aanleggen en verbeteren van de fietsinfrastructuur. Het Vlaams en Brussels Gewest moeten hun inhaalbeweging voort­zet­ten, geholpen door de provincies en de steden en gemeenten. Ook in Brussel en in de Vlaamse steden en gemeenten moet verder bijkomende fietspaden worden aangelegd terwijl in de bebouwde kom bij de heraanleg van straten prioritair met de fietser rekening moet worden gehouden.

Andere flankerende maatregelen zoals het plaatsen van degelijke fietsen­stallingen bij alle openbare gebouwen en haltes van openbaar vervoer,  zoals vastgelegd in het huidige beleid, moeten worden verlengd. De NMBS moet een gedeelte van haar middelen inves­te­ren in fietspunten in de grote stations in samenspraak met de steden.

Vliegverkeer alleen waar nodig en milieuvriendelijker

Vliegen veroorzaakt een grote en steeds stijgende CO2-uitstoot. In sommige gevallen zijn er perfecte alternatieven voor vluchten, denken we maar aan de hoge snelheidstreinen tot in het hart van Londen, Amsterdam en Parijs. Op deze verbindingen moet het vliegverkeer wor­den ontmoedigd. Ook moet de oneerlijke concurrentie worden aangepakt, waarbij kerosine vrijgesteld is van accijnzen en vliegtickets van BTW en de luchtvaartsector dus zijn steentje niet moet bijdragen tot de broeikasgasreductie.

Het wegwerken van de fiscale voordelen van het vliegverkeer moet samen met de uitbouw van het Europees hogesnelheidstreinnet zorgen voor zuinigere en schonere vliegtuigen en een vervanging van korte afstand vliegtuigverbindingen door snelle treinverbindingen.

sp.a ondersteunt op Europees vlak het Sesarprogramma dat ervoor zal zorgen dat de vlieg­be­we­gingen boven Europa veiliger gebeuren en waarbij een 10%-besparing wordt beoogd.

30.   Vluchten korter dan 150 km verbieden

Luchtvaartverkeer stoot per ton/kilometer veel meer CO2 uit dan binnenvaart-, zeevaart- of spoor­transport. Bovendien wordt een belangrijk gedeelte van de kerosine verbruikt bij het opstijgen. Voor het transport over korte afstanden zijn er, zowel voor vracht als voor passagiers, voldoende kwalitatieve alternatieven beschikbaar die minder CO2 uitstoten (TGV, RoRo, trein, …). sp.a wil alle (commerciële) vluchten verbieden met een afstand van minder dan 150 km.

31.    Opname van luchtvaart in Europees systeem van emissiehandel

In 2004 namen de emissies van broeikasgassen van luchtverkeer toe met 7,5% ten opzichte van 2003. Met deze toename komt de luchtvaart sinds 1990 aan een toename van maar liefst 87% in de emissies van broeikasgassen. De uitstoot door binnenlandse vluchten neemt weliswaar af, maar die door de internationale luchtvaart blijft stijgen, waardoor alle EU-maatregelen tegen klimaat­ver­an­dering teniet worden gedaan. Dit komt doordat de binnenlandse vluchten onder het Kyoto-protocol vallen, en de internationale niet. Door deze sterke toename doet de luchtvaart een substantieel aandeel (maar liefst één vierde) van de reducties die de EU bereikt in andere sectoren teniet.

Het is dan ook dringend nodig om de emissies van luchtvaart onder controle te krijgen. Hiertoe moeten we drie wegen volgen.

Ten eerste zal de Europese Unie het huidige systeem van emissiehandel en in het bijzonder het mechanisme van ‘cap and trade’ moeten uitbreiden tot de luchtvaart. Hierbij krijgen de luchtvaart­maat­schappijen ieder jaar verhandelbare CO2-emissierechten. Aan het eind van elk jaar moeten de luchtvaartmaatschappijen het gedeelte van hun rechten inleveren dat overeenkomt met de hoeveelheid CO2 die zij hebben uitgestoten. De totale rechten voor alle luchtvaart­maat­schappijen zullen worden beperkt tot de gemiddelde uitstoot (in tonnen CO2) in de periode 2004-2006. Vanaf 2011 moet dit gelden voor alle vluchten binnen de EU en vanaf 2012 ook voor alle internationale vluchten die op EU-luchthavens aankomen of vertrekken. Luchtvaart­maat­schappijen kunnen hun uitstoot op verschillende manieren vermin­­deren, bijvoorbeeld door te investeren in schonere vliegtuigen en motoren of door een efficiëntere organisatie.

Ten tweede moeten er op internationaal niveau afspraken worden gemaakt om het fiscaal gunst­regime waarvan de luchtvaart – en dit in tegenstelling tot andere transportvormen – geniet, op te heffen.

Om dit te bereiken zullen ten derde initiatieven worden genomen zodat vliegtuig­brand­stoffen de milieukost integreren. Momenteel ontsnapt kerosine aan iedere heffing, in tegen­­stelling tot andere wegbrandstoffen. Naar het voorbeeld van Nederland moet België de accijnsvrijstelling voor kerosine op vliegtuigen afschaffen, zodat kleine vliegtuigen hier niet langer worden bevoordeeld. Een accijns van 0,2 €/l geeft een opbrengst van 1.200.000 €. 

De overheid helpt om het Europese Sesar-programma zo snel mogelijk uit te werken, waar tot 10% minder vliegkilometers moeten worden afgelegd door een efficiëntere routering van de vliegbewegingen.

8.          Een overheid die het goede voorbeeld geeft

De overheid moet als een goede huisvader haar geld beheren. Dit betekent dat investeringen in economische energiebesparende maatregelen (maatregelen die zichzelf terugverdienen) een kwes­tie van goed bestuur zijn. Veel overheidsgebouwen zijn oud en werden gebouwd toen rationeel energiegebruik nog geen prioriteit was. Ze vergen vaak veel energie om te verwarmen, terwijl het comfort voor de mensen die er werken laag is. Door deze gebouwen te e-noveren kan men ver­schil­lende vliegen in één klap slaan: de energiefactuur drukken, het werkcomfort voor de mede­werkers verhogen, gebouwen beter verlichten, enzovoort. Ook wanneer de overheid nieuwe gebouwen huurt moet ze goede energieprestaties eisen.

De overheid fungeert ook als voorbeeld. In Europa zijn de aanbestedingsbudgetten van de verschil­lende overheden (gemeenten, provincies, regio’s, lidstaten, …) goed voor ongeveer 16 % van het BNP. Indien de overheid zich meer gaat opstellen als ‘innovatieve klant’ dan kan dit de vraag naar duurzame technologie aanzienlijk versterken.

sp.a wil dat alle overheden tegen 2011 10% energiebesparing realiseren.

32.   Een Kyotonorm voor elk openbaar bestuur

Slechts schoorvoetend beginnen de verschillende overheden in ons land werk te maken van een doortastend energiezorgsysteem binnen de eigen diensten.  Op federaal vlak werd FEDESCO opgericht dat op derdebetalersbasis energie-audits van federale overheids­gebouwen uitvoert en investeert in de daaruit voortvloeiende rendabele maatregelen. Voor de aankoop van wagens door de overheid werd een omzendbrief uitgevaardigd.

Op het niveau van het Vlaams gewest werd recent door de Vlaamse regering het ‘Actieplan 2006-2010: Energiezorg in de Vlaamse Overheidsgebouwen’ goedgekeurd[30]. Dat plan voorziet o.a. in het voortzetten van de energie-auditing van gebouwen waarin entiteiten van de Vlaamse overheid zijn gehuisvest. In al doorgelichte gebouwen zullen alle maatregelen met een terugverdientijd van 7 jaar of minder binnen de 3 jaar worden uitgevoerd. Via het ‘Actieplan 2007-2010: Milieuzorg in het voertuigenpark van de Vlaamse overheid’ stippelt de Vlaamse regering o.a. haar aankoopbeleid inzake milieuvriendelijke en zuinige voertuigen uit[31].

Een structurele aanpak van het energieverbruik door lokale besturen, blijft echter grotendeels achterwege. Stimuli worden wel gegeven via de  samenwerkingsovereenkomst ‘Milieu als opstap naar duurzame ontwikkeling; fase 2005-2007, een convenant die lokale besturen op vrijwillige basis kunnen afsluiten met het Vlaams gewest. De huidige samenwerkingsovereenkomst loopt eind volgend jaar af. Er komt een nieuwe samen­werkingsvorm die begin 2008 opera­tio­neel moet zijn. De huidige samenwerkings­overeen­komst (SO) omvat al een cluster energie. Naar analogie van de andere clusters kan een lokaal bestuur kiezen voor 3 niveaus:

1.       het opstarten van een (beperkt) energiezorgsysteem binnen de eigen diensten en sensi­bi­liseren van burgers en doelgroepen rond duurzaam (men bedoelt wellicht ratio­neel) energie­ge­bruik;

2.       het veralgemenen van dit energiezorgsysteem voor alle eigen entiteiten en sensibi­li­seren van burgers en doelgroepen of opzetten van concrete acties rond hernieuwbare energie;

3.       een specifiek project op het gebied van zongericht en energiezuinig bouwen of op het gebied van duurzaam energie­gebruik.

sp.a wil dat de aanpak van het energieverbruik door openbare besturen minder vrijblijvend wordt. Om die reden willen wij een wettelijk verplichte “Kyoto-norm” voor alle openbare besturen, gekoppeld aan een systeem van energieboekhouding en -rapportage (voor het bijhouden en rapporteren van het energieverbruik in het eigen patrimonium, het openbaar domein, het eigen wagenpark,...). 

Lokale besturen moeten in het kader van de nieuwe samenwerkingsvorm  worden ondersteund bij het nemen van energiebesparingsmaatregelen en moeten extra beloond kunnen worden als ze kiezen voor een resultaatsverbintenis waarbij ze hun energieverbruik in de eigen diensten, gebouwen, voertuigenpark,... verminderen met 2% bovenop de wettelijk opgelegde ‘Kyotonorm’. Dit kunnen ze doen door maatregelen te nemen in hun patrimonium, hun wagenpark te vergroenen, de straatverlichting te moderniseren, te relighten (nieuwe, zuinige verlichting installeren) in sportinfrastructuur, zonnepanelen en (mini)warmte­krachtkoppeling te installeren op het patrimonium, nieuwe gebouwen vol­gens de passiefstandaard te bouwen, enzovoort.

Daarnaast moeten ze ook kunnen kiezen voor actieverbintenissen: een centraal energie­loket met adviesservice (ook voor bouwplannen) installeren, het opleiden en inzetten van energie­wijk­mees­ters, het opstellen van een gemeentelijke energiepocketgids, de inzet van ecoteams stimuleren en ondersteunen, het opzetten van 1 klimaatwijk per X aantal inwoners, het uitschrijven van project­wedstrijden, het uitschrijven van gemeen­te­lijke bouwverordeningen met energie (ev. als onderdeel van een duurzaamheids) paragraaf,  ...

Voor het bijhouden van de energieboekhouding, het opzetten van de energie-audits en voor de uitvoe­ring van de daaruit voortvloeiende energiebesparende maatregelen in de gebouwen van de gemeente of van haar inwoners, moeten gemeenten wor­den gestimuleerd tot de oprichting van een gemeentelijk autonoom energiebesparingbedrijf. Deze bedrijven kunnen in samenwerking met de distributienetbeheerders de gezinnen een gratis  ener­gie­scan van hun woning aanbieden. Ook scholen of sociale huisvestings­maat­schap­pijen moe­ten zo’n gratis audit kunnen krijgen. Het gemeentelijke energie­besparing­bedrijf kan ook een lokale entiteit worden van het Federaal Fonds voor de Reductie van de Globale Energiekost en goedkope leningen verstrekken voor investeringen in energiebesparing. Gemeentelijke energie­besparing­be­drij­ven kunnen ook kant-en-klare oplossingen aanbieden door voor groepen inwoners grote aan­be­stedingen (met fikse korting) te doen, bijvoorbeeld voor condensatieketels, thermo­statische kranen of isolerende beglazing. In bepaalde gevallen kunnen deze bedrijven ook zelf inves­te­ringen doen, de energiefactuur voor een lange tijd overnemen en zich laten terugbetalen met de daling op de factuur. Ze treden dan op als derde betaler.

33.   E-70 moet de norm worden voor nieuwe schoolgebouwen

Vanaf 1 januari 2006 moeten alle nieuw op te richten woningen, kantoorgebouwen, scholen, zieken­huizen, ... voldoen aan EnergiePrestatie- en Binnenklimaateisen (EPB-eisen): peil van globale warm­te-isolatie K45, maximale warmtedoorgangs­coëfficiënten (U-waar­den), maximaal energie­pres­ta­tie­peil E100 en minimale ventilatievoorzieningen. Voor vernieuwbouw gelden maximale U-waar­den.

Uit een recente studie van het WTCB[32] blijkt dat voor nieuwbouw het economisch optimum (dit wil zeggen een minimum aan investeringskosten plus energiekosten) met E70-75 ver beneden de wettelijke eis van E100 ligt. Deze studie bevestigt de resultaten van een eerdere studie van 3E-K.U.Leuven[33] waaruit eveneens blijkt dat het economisch optimum zich rond de E60-E70 situeert. sp.a wil dat nieuwe scholen volgens de E70-standaard worden gebouwd. Uit simulaties blijkt dat de meerinvestering zich al na 4,7 jaar terug­betaalt door de verminderde energiefactuur.

 

Typeschool

per m²

referentie

E100

E70

Investering

(in €/m²)

49,2

49,8

76,7

Meerinvestering

(in €/m²)

-

0,6

27,5

Energiefactuur

(in €/m².jaar)

15,7

14,5

9,8

Energiebesparing

(in €/m².jaar)

-

1,2

5,9

Terugverdientijd

(in jaar)

-

0,5

4,7

CO2 besparing

kg/m².jaar

-

5,7

27,1

Jaarprogramma

260.000 m²

 

 

 

Investering

(in €)

12.789.300

12.935.014

19.943.549

Meerinvestering

(in €)

-

145.714

7.154.249

Energiefactuur

(in €/jaar)

4.085.681

3.764.733

2.553.888

Energiebesparing

(in €/jaar)

-

320.948

1.531.793

Terugverdientijd

(in jaar)

-

0,5

4,7

CO2 besparing

t/jaar

-

1.476

7.046

 

De meerkost voor alle scholen die jaarlijks wordt gebouwd bedraagt dus 7.154.000 €, de CO2-besparing bedraagt 7.046 ton CO2 per jaar.

34.   Alle energiebesparende maatregelen in overheidsgebouwen met een terug­­ver­dien­­tijd kleiner dan 15 jaar nemen

Uit diverse studies en audits blijkt dat er ook in bestaande gebouwen van de tertiaire sector nog een groot energiebesparingpotentieel aanwezig is. Uit een studie van VITO [34]blijkt dat er in bestaande scholen op basis van economisch rendabele maatregelen gemiddeld 34 à 35% kan worden bespaard op het brandstofverbruik en 38 à 40% op het elektriciteitsverbruik. Rendabele maat­regelen zijn isolatie, ketelvervanging, temperatuurs­regeling en relighting.

Uit een studie van Ingenium in 45 Vlaamse overheidsgebouwen[35] blijkt dat 25% CO2 kan worden bespaard door alle energiebesparende maatregelen te nemen met een terug­verdientijd kleiner dan 15 jaar.

Geëxtrapoleerd naar alle overheidsgebouwen in eigendom levert dit:

 

 

 

Elektriciteit

Brandstof

Energiekosten

CO2-uitstoot

Investering

 

 

(in GWh)

(in GWh)

(€)

(ton)

(€)

Resultaten 46 energie-audits

 

 

 

 

totaal verbruik

37,5

55,0

5.500.000

25.300

 

 

totale besparing

6,0

15,3

1.200.000

6.300

19.400.000

 

procentuele besparing

16%

28%

21%

25%

 

 

 

 

 

 

 

 

Extrapollatie gebouwenpark Vlaamse Gemeenschap 720.000 m²)

 

 

totaal verbruik

53,6

94,5

8.400.000

39.800

 

 

totale besparing

8,6

26,3

1.800.000

9.900

31.000.000

 

procentuele besparing

16%

28%

21%

25%

 

 

 

 

 

 

 

 

Extrapollatie gebouwenpark federale overheid in eigendom 2.485.366 m²)

 

 

totaal verbruik

185,0

326,2

28.995.936

137.385

 

 

totale besparing

29,7

90,8

6.213.415

34.173

107.008.813

 

procentuele besparing

16%

28%

21%

25%

 

 

Een investering van respectievelijk 31.000.000 € voor het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en 107.000.000 € voor de federale overheid levert een jaarlijkse CO2-besparing op van in totaal 44.000 ton. sp.a wil dat de overheden deze maatregelen op vier jaar tijd uitvoeren, dus aan een kost van 7.750.000 €/j voor de Vlaamse Gemeenschap en 26.750.000 €/j voor de federale overheid.

35.    Innovatief aanbesteden door de overheid

Indien de overheid zich meer gaat opstellen als ‘innovatieve klant’ dan kan dit de vraagzijde voor duurzame technologie aanzienlijk versterken. Er moet beleid ontwikkeld worden met meetbare doelstellingen voor innovatieve aanbe­ste­dingen (bijvoor­beeld een percentage van de totale aanbestedingen). Op korte termijn kunnen gewestelijke en federale overheden en overheidsbedrijven zich als ‘launching customer’ enga­ge­ren op verscheidene vlakken, bijvoorbeeld:

-       Microwarmtekrachtkoppeling (µ-WKK) in openbare gebouwen: We moeten een goed evenwicht zoeken met de toepassing van fotovoltaïsche zonnecellen; WKK kan vaak een betere kosten/batenbalans hebben. µ-WKK heeft in ons land dringend nood aan een fikse duw in de rug. We lopen achter op de buurlanden (onder meer Nederland en Groot-Brittannië) waar ter zake ambitieuze plannen worden opgestart (duizenden tot tien­duizenden µ-WKK eenheden op enkele jaren tijd). µ-WKK komt ook elders aan bod in dit actieplan.

-       Thermische zonnewarmte in openbare zwembaden en verzorgingsinstellingen.

-       Dematerialisatie: door allerlei recente technologieën (digitale opslag van gegevens, e-mail, …) is het mogelijk minder grondstoffen (hout voor papier) of verplaatsingen (e-mail in plaats van koeriers) te gebruiken. Door alle administratieve processen goed door te denken kan de overheid flink besparen op energie.

-       Hybride wagens en plug-in-wagens: steeds meer autoproducenten brengen hybride wagens op de markt. In de VS zijn er steeds meer particulieren die hun hybride om­bouwen tot plug-in. Dat betekent: de hoeveelheid batterijen vergroten en meer rijden op elektriciteit die dan deels geleverd wordt door zonnecellen (plug-in: auto aan de stekker). Intrigerend aan deze ontwikkeling is dat men zo opslagcapaciteit creëert voor hernieuwbare energie (de zon schijnt niet altijd) en omdat auto’s meestal stilstaan, kunnen hun batterijen daarvoor dienen. Er zijn de laatste jaren forse stappen vooruit gezet in elektrische batterijtechnologie. Een niet te verwaar­lozen verwante technologie zijn de pedelecs (fietsen met elektrische hulpmotor), die in een vergrijzende maatschappij een belangrijk milieuvriendelijk vervoermiddel kunnen worden (De Post, pedelec-verhuur NMBS-stations, …). Het feit dat vele overheidsdiensten een vloot hebben die steeds terugkeert naar een vast punt, vergemakkelijkt (proef)projecten met alternatieve “energiebevoorrading” (plug-in hybride voertuigen die slim gevoed worden met zonnestroom of dalstroom, voertuigen op waterstofgas, aardgas of puur plantaardige olie...). Ook de Lijn moet doorgaan met het inleggen van bussen op puur plantaardige olie en dient de brandstofcelbus van Van Hool na een positieve evaluatie breed in te zetten.

-       Server based computing (thin clients): We noteren internationaal een opmars van ‘Server Based Computing’ in kantoren en scholen. Die verhoudt zich tot het gangbare computergebruik zoals openbaar vervoer tot de auto. Dat geldt ook voor energie­verbruik: computergebruik is een belangrijk element in energieverbruik van kantoren. Met server based computing kan men het energiegebruik van computers minstens halveren. Server based computing is een systeem waarbij de eindgebruikers niet langer een autonome PC hebben, maar met een thin client aangesloten zijn op krachtige centrale computers. Een echte Thin Client bevat geen CD-ROM, floppy of harddisk en beschikt over net genoeg intern geheugen en Flashdisk om zijn taken te kunnen uitvoeren: beelden ontvangen en weergeven en invoergegevens doorsturen. Dat is goed voor milieu (minder energie ook voor airconditioning, minder hardware) maar ook voor de financiën: bij computersystemen moet de investering beoordeeld worden op basis van de zogenaamde 'total cost of ownership' die zowel installatie als onderhoud van hardware én software in rekening brengt. Bij een systeem van servers en thin clients is dat in alle opzichten gunstig.  Schattingen lopen op tot 40 % besparing op de totale kost. Alle computerproducenten met enige naam bieden vandaag de hardware aan voor server/thin client systemen. De overheid kan evenwel een belangrijke rol spelen als ‘ervaringsexpert’ die dan zijn kennis deelt met onze bedrijven, ziekenhuizen, scholen… De omschakeling vraagt deskundigheid en het zou goed zijn dat de overheid hier een rol kan spelen als expert die geen commerciële belangen heeft.

36.   Delcredere mag geen klimaatvervuilers meer verzekeren

België koopt via CDM (Clean Development Mechanisms) emissierechten in het buitenland door ontwikkelingslanden te helpen met het installeren van milieuvriendelijke technologie. Anderzijds verzekert de Delcrederedienst risicovolle investeringen van Belgische bedrijven in het buitenland, in een aantal gevallen ook van investeringen in vervuilende installaties, zoals steenkoolcentrales.

Het gaat niet op het zuiden te wijzen op de noodzaak aan energiezuinige technologie en her­nieuw­bare energie, als onze eigen bedrijven ter plaatse niet het goede voorbeeld geven. Net zomin kun­nen we tolereren dat Belgische bedrijven die gevestigd zijn in eigen land aan strenge normen wor­den onderworpen, terwijl de Belgische bedrijven in het zuiden deze normen aan hun laars kunnen lappen. Daarom dienen de milieucriteria voor bedrijven in het zuiden die zich willen laten verze­ke­ren door de Belgische staat, te worden aan­ge­scherpt met eisen voor energiezuinige technologie en hernieuwbare energie.

sp.a wil dat klimaatvriendelijkheid een expliciete doelstelling wordt bij het toekennen van kredietverzekeringen door de Delcrederedienst. Milieuvervuilende projecten mogen niet langer worden gesteund, investeringen in energiebesparing of hernieuwbare energie moeten bijkomende kansen krijgen.

37.    Een energie-efficiënte ontwikkelingssamenwerking

Ons hele beleid, en dus ook het beleid voor ontwikkelingssamenwerking, dient door­drongen te worden van maatregelen die een zuinig en alternatief gebruik van energie waar­bor­gen. Dat uit zich op drie terreinen waarbij consequentie en kennisoverdracht centraal staan.

Lokaal aanbesteden van mensen en personeel bevordert niet enkel de lokale economie, maar brengt het voordeel van minder transport en dus minder brandstofgebruik met zich mee. Het criterium energiezuinige technologie en hernieuwbare energie dient een vooraan­staande plaats te krijgen bij het afsluiten van contracten voor infrastructuurwerken en het aankopen van materiaal.

Op de Duurzaamheidstop in Johannesburg (2002) hebben de rijke landen afgesproken dat zij het engagement aangaan om het zuiden te helpen in de overdracht van nieuwe technologieën, gericht op energiebesparing en een verminderde afhankelijkheid van fossiele brandstoffen. Deze afspraak kan de ontwikkelingssamenwerking ondersteunen: het aanreiken van alternatieve energie kan juist een mogelijkheid tot ontwikkeling zijn. Het gebruik van zonnepanelen in afgelegen gebieden betekent vaak de énige toegang tot energie. Energiezuinige apparaten geven méér mensen toegang tot energie.

Vice versa biedt ontwikkelingssamenwerking de mogelijkheid om een rol te spelen in de overdracht van kennis. Onderwijsprogramma’s kunnen een luik opnemen dat bewust­making van het probleem bevordert, naast het aanreiken van oplossingen om wereldwijd een energiezuinig beleid te laten doordringen.

Het instrument bij uitstek om de overdracht van milieuvriendelijke technologie naar landen in ontwikkeling te bevorderen is het opstarten van de CDM-projecten (CDM: Clean Development Mechanism). Tot nu toe hebben de minst ontwikkelde landen vaak een beperkte toegang tot deze markt. Met het oog op het bevorderen van capaciteitsopbouw en ‘knowhow’ over dit instrument in deze landen moeten de inspanningen opgedreven worden in de partnerlanden van de Belgische samenwerking. We moeten met andere woorden een strategie uitwerken om klimaat en ontwikkelingssamenwerking in toene­mende mate te koppelen. 

Bossen houden heel wat CO2 vast. België moet in zijn internationaal beleid het bescher­men van bos wereldwijd tot een prioriteit maken. In Europa moet worden geijverd voor een ver­bod op niet-duurzaam gekapt hout. De overheden mogen zelf enkel hout met een duur­zaam­heidslabel gebruiken. In Congo moet België ijveren voor een verlenging van het mora­to­rium op nieuwe kapconcessies en een versterking van goed bestuur in de bosbouw­sector.

9.          Zuinigere industriële processen

Ook in industriële processen moet de verbetering van de energie-efficiëntie tot het uiterste worden opgevoerd. Dit betekent dat de energie-efficiëntie met 44% kan stijgen tegen 2050 (een jaarlijkse verbetering met 0,8%).

Daarbij moet prioriteit worden gegeven aan de verbetering van de algemene informatie­verspreiding en com­mu­nicatie richting KMO’s. Hier is nood aan gerichte en direct bruikbare informatie die wordt ver­spreid via de netwerken waarin KMO’s zich bevinden (werken via intermediairen). Een horizontale aan­pak van processen die in zeer veel verschillende sectoren voorkomen is wenselijk, bijvoorbeeld rond motoren (voor aandrijving van pompen, ventilatoren, aggregaten of compressoren), perslucht, verwarming en verlichting van bedrijfshallen, koeling, isolatie, ... Er moet meer integratie en coördi­na­tie zijn van de geïso­leerde, kleine en al te verschillende steunprogramma’s die uitgaan van verschil­lende overheden (en netbeheerders).

38.   Binnenlandse tender CO2-besparing

Vlaanderen koopt momenteel emissiekredieten in het buitenland, onder meer om een ‘spaarpotje’ aan te leggen voor nieuwe bedrijven (die anders benadeeld zouden zijn ten opzichte van bestaande bedrijven, die hun emissierechten gratis kregen).

Het is een beetje absurd dat wij emissierechten aankopen (waarbij de reductie van broeikasgassen in het buitenland wordt gerealiseerd), als we zelf goedkoper in ons land de uitstoot van broeikas­gassen kunnen verminderen. In dat laatste geval worden hier bovendien andere milieuvoordelen behaald (minder fijn stof, SO2, ozon, …) en worden hier arbeidsplaatsen gecreëerd.

sp.a wil dat er een fonds wordt gecreëerd voor het realiseren van bijkomende broeikas­gasemissies door een offertevraag te organiseren, waarbij intekenaars CO2-reductie uitvoeren met een lagere of gelijke kostprijs per ton CO2 dan de gangbare prijs op de Europese markt van emissierechten. De middelen van dit fonds moeten komen uit het budget dat momenteel voorbehouden is voor de aankoop van buitenlandse emissie­rechten.

De ondersteunde investeringen moeten effectief bijkomende investeringen zijn, zonder dubbel­telling met andere mogelijke ondersteuningsmechanismen (emissiehandel, ecolo­gie­steun…).

 

 

Mogelijke omschrijvingen van additionele investeringen zijn:

 

-       Energierenovatie grote gebouwen (kantoorgebouwen, flatgebouwen…): investeringen die verder gaan dan de energieprestatienorm opgelegd door het energieprestatie­besluit. Hierin een auto­ma­tisme invoeren dat rekening houdt met het eventueel (hopelijk) verstrengen van de E-norm in de toekomst, bijvoorbeeld door te mikken op een E-norm die substantieel lager ligt dan wat wettelijk verplicht is.

-       Investeringen in tuinbouw (warmtepompen, warmtekrachtkoppeling, spaarzame serres, …).

-       Investeringen van distributienetbeheerders die meer energiebesparing opleveren dan de norm hen opgelegd door de openbare dienstverplichtingen (2%/jaar). Dit voorstel is ook terug te vinden in het advies van de Minaraad over de REG openbare dienst­ver­plichtingen.

-       Investeringen in KMO’s in maatregelen die niet genomen moeten worden op basis van het besluit energieplanning of in navolging van een afgesloten auditconvenant.

De mogelijkheden staan in volgorde van potentiële impact op het energieverbruik, en de CO2-uit­stoot.

39.   Stimuleren van industriële ecosystemen

Vele bedrijven hebben de laatste jaren sterk geïnvesteerd in de verbetering van hun energie-efficiëntie. Ze worden daartoe gestimuleerd via investeringssubsidies (de zgn. “ecologiepremie”), via vrijwillige convenants (met tegenprestaties vanuit het Vlaams gewest), via het Europees emissiehandelsysteem waarin ze niet gebruikte rechten kunnen verkopen of verplicht via het “besluit energieplanning”.  Dat neemt niet weg dat bvb door het uitwisselen van restwarmte met naburige bedrijven of door collectieve investeringen in bvb warmtekrachtkoppeling, de energieverliezen op industrieterreinen nog verder terugge­drongen kunnen worden. Als door samenwerking afvalstoffen en energiestromen van één bedrijf – rookgassen, koelwater, stoom, vliegas, gips, restwarmte,… – als grondstof gebruikt worden door een ander bedrijf, ontstaan ‘industriële ecosystemen’ die net als natuurlijke ecosystemen stofkringlopen sluiten.  Daardoor wordt heel wat milieuwinst geboekt: minder luchtverontreiniging, minder afval, minder energiegebruik,…

sp.a wil ook dergelijke ‘industriële ecosystemen’ stimuleren door binnen de wetgeving inza­ke economische expansiesteun ook subsidies toe te kennen voor collectieve infra­struc­­tuur zoals stoomleidingen, stadsverwarmingsnetten gevoed met industriële over­schot­warmte, ... 

40.   Uitbreiden en verfijnen Europese regelgeving rond broeikasgassen

Het Europese systeem van emissiehandel zorgt ervoor dat de bedrijven een incentive hebben om hun emissies op de meest kostenefficiënte manier te reduceren. In 2007 zal de discussie van start gaan over de herziening van de richtlijn over het Europese systeem van emissiehandel. Om de milieu­winst en de effectiviteit van dit systeem te vergroten moet het toepas­singsgebied naar bijkomende sectoren en andere broeikasgassen worden uitge­breid. Daarnaast moet er een verdere harmonisatie plaatsvinden voor wat betreft de ‘cap’ (het maximum niveau) en de manier van toewijzing van de emissierechten.

De gassen en de sectoren die in aanmerking komen voor opname zijn N2O (distikstofoxide) bij de productie van ammoniak en CH4 (methaan) in de koolmijnen. De uitbreiding van de sectoren zoals de transportsector en koolstofabsorptie en opslag (Carbon Capture and Storage, CCS) vormt een belangrijk discussiepunt in dit debat. De transportsector bijvoor­beeld is een zeer gefragmenteerd segment, waar de administratieve kost relatief gezien hoog is, maar de uitdaging des te groter. Door een Europese ‘cap’ te bepalen zullen de sectoren binnen Europa worden gevrijwaard van mogelijk marktverstorende effecten.

De hele opzet van de herziening is een grotere voorspelbaarheid en bijgevolg stabiliteit voor de deelnemers. Om de voorspelbaarheid te vergroten, wil sp.a op Europees vlak aan­dringen op een langere handelsperiode (die beter overeenkomt met afschrijfcycli van inves­­teringen), duidelijker criteria voor de toewijzing van emissierechten (zodat een prijsin­storting wordt voorkomen) en eventueel zelfs een te garanderen bodemprijs voor de emis­sie­rechten. De herziening zal pas in 2013 effect sorteren, bij de aanvang van de volgende verbintenissenperiode.

Ook in het kader van de herziening van het Europese systeem van emissiehandel moet de EU trachten om het huidige systeem van een handel in CO2-emissierechten te linken met andere verplichte compatibele systemen in andere (deel)staten waaronder deze van de vier staten in New England (VS), Californië (VS), Australië en Noorwegen. Het staat buiten kijf dat het systeem van emissiehandel een centraal element vormt voor het klimaatbeleid voor de periode na 2012. Het wordt beschouwd als een instrument om andere (deel)staten te betrekken zodat de bedrijven door de koppeling aangespoord worden om externe kosten te integreren in de totale kostprijs en de liquiditeit op de markt van emissierechten te verhogen.

De Europese wetgeving over de gefluoreerde gassen (F-gassen) biedt sinds kort een kader  voor de beperking van de emissies van de drie gefluoreerde  gassen (HFK’s, CFK’s en SF6). Dit omvat onder meer bepalingen op het gebied van de insluiting, de rapportage, het op de markt brengen en het gebruik van gefluoreerde gassen. Daarnaast voorziet de Europese richtlijn betreffende emissies van klimaatregelingapparatuur in motorvoertuigen in ver­plich­tingen op het gebied van het toegelaten lekverlies van gefluoreerde broeikas­gassen uit airco’s van voertuigen. Ook bevat de richtlijn een verbod op het gebruik van gefluo­reerde broeikasgassen met een GWP-waarde (Global Warming Potential, de mate waarin zij bijdragen tot het broeikaseffect) van meer dan 150 in voertuigen.

De totale uitstoot van de gefluoreerde gassen (HFK’s, CFK’s en SF6) blijft beperkt, maar het pro­bleem is dat het opwarmingseffect van deze gassen in vergelijking met CO2 significant groter is.

Er moeten verbodsbepalingen komen op bepaalde types en toepassingen F-gassen, voor andere moeten de emissienormen strenger worden. Dit moet gepaard gaan met ver­nieuwingen door de sector zelf. In de loop van 2007 zal de Europese Commissie haar wetgeving ter zake evalueren met het oog op de herziening ervan op middellange termijn, maar België moet het initiatief nemen door de emissienormen te verstrengen en het gebruik van bepaalde gassen uit te faseren, rekening houdend met de technologische ontwik­kelingen in de sector.

41.    Nieuwe Europese kwaliteitsnormen voor  brandstoffen

In het komende jaar zal binnen de Europese instellingen de discussie van start gaan over nieuwe kwaliteitsnormen voor brandstoffen. Onze doelstelling hierbij is om te komen tot een substantiële vermindering van de impact van de brandstoffen op klimaatwijziging en luchtkwaliteit. Zulke nieuwe normen moeten niet enkel de brandstof doorheen zijn gehele levenscyclus zuiverder maken maar ook de introductie van voertuigen en motoren die minder  vervuilen in de hand werken. Concreet betekent dit dat de emissie van broeikas­gassen veroorzaakt doorheen de productie, het transport en het gebruik jaarlijks met 1% moet verminderen om op die wijze een vermindering van 10% te realiseren tussen de periode 2011 en 2020. Hiermee worden de emissies van broeikas­gas­sen met 500 miljoen ton CO2 equivalent verminderd.

10.      Een nieuw soort energienetwerk

De realisatie van het ‘elektriciteits-internet’ waarvan sprake in de inleiding betekent dat het toekom­stige netwerk zowel aan de kant van de zeer hoge spanningen als aan laagspanningzijde op een totaal andere manier wordt uitgebouwd dan dit in het verleden het geval was.

Het Europees hoogspanningsnet moet verder worden uitgebouwd, niet alleen om aan de aanvoerzijde meer concurrentie in het systeem te brengen, maar ook en vooral om de uitwisseling van hernieuwbare energie, zoals windenergie uit de Noordzee, waterkracht­energie uit Noorwegen en, op langere termijn, zonne-energie uit het zuiden, mogelijk te maken.

De midden- en laagspanningsnetten evolueren van een strak hiërarchisch één­richtings­verkeer naar een ‘intelligent’ netwerk van verbruikers en – kleine en middel­grote – producenten waarin energie zowel bottom-up als top-down wordt uitgewis­seld.

Door de zeer hoge kapitaalintensiviteit van de netwerken zou het een illusie zijn te denken dat deze evolutie zich in enkele jaren zal doorzetten. Het elektriciteitsnetwerk is op een geleidelijke manier uitgebreid sinds het begin van de vorige eeuw en de fundamentele wijzigingen die voor de deur staan zullen zich over enkele decennia realiseren. Het is wel absoluut noodzakelijk om hiervoor vandaag al de nodige beleidsmaatregelen te nemen. 

In het verleden werden onze energievoorzieningen sterk centraal uitgebouwd. Grote kern- en steen­kool­centrales produceren elektriciteit die via hoogspanningsleidingen over grote afstanden met belangrijke verliezen wordt getransporteerd. De warmte, die onvermij­de­lijk mee wordt opgewekt, gaat verloren via koelwater in onze rivieren of in de lucht langs koeltorens (afhankelijk van het type centrale wordt zo 40 tot 65 % van de kostbare energie verspild). Een dergelijke manier van produ­ceren bevoordeelt uiteraard grote elektriciteits­producenten, die op deze manier over een bijna natuur­lijk monopolie kunnen beschikken. Kleine producenten kunnen zich in een dergelijke markt moeilijk overeind houden. sp.a wil dat onze energienetwerken worden herdacht. Hoogspan­nings­leidingen moeten worden uitgebouwd om grote windturbineparken in de Noordzee te bedienen. Hiervoor moet worden samengewerkt met andere Noordzeelanden. Bedrijven of andere gebruikers die warmte of stoom nodig hebben moeten investeren in warmtekrachtkoppeling, waarbij ze warmte die vrijkomt bij elek­triciteitsproductie nuttig kunnen gebruiken. Kleine bedrijven moeten samenwerken om geza­men­lijk warmtekrachtinstallaties of windturbines te bouwen. Bij nieuwe verkavelingen of appar­te­ments­gebouwen moet worden geïnvesteerd in warmtekrachtkoppeling, waarbij elektriciteit wordt gepro­du­ceerd en de vrijgekomen warmte nuttig wordt toegepast voor verwarming en sanitair. Gezinnen zullen zelf hun elektriciteit opwekken via zonnepanelen en microwarmtekrachtcentrales en hun over­schot leveren aan het net. Dit betekent dat het netwerk moet evolueren naar een elektriciteits-internet, waarbij op vele plaatsen geleverd wordt op en afgenomen wordt van het net. Door middel van slimme metering kunnen vraag en aanbod op elkaar worden afgestemd.

42.   Invoeren van slimme metering

Slimme meters zijn meters die via het internet of stroomnet gelezen kunnen worden en periodiek informatie krijgen doorgespeeld over het actueel stroomverbruik en de stroom­prijs. Hierdoor wordt de consument sterk gestimuleerd zijn elektriciteitsgebruik te rationa­liseren. Slimme meters kunnen communiceren met ‘slimme’ apparaten waarin sensoren en chips zijn ingebouwd. Slimme meters kunnen slimme toestellen op zo’n manier sturen dat ze op momenten van piekvraag energie opwek­ken (micro-warmtekracht­koppelings­installaties) en in dalperiodes stroom afnemen (was­ma­chines, diep­vriezen, plug-in hybride wagens die extra grote batterij ook via net kunnen opladen). Via slimme metering kan de inzet van piekvermogen worden beperkt en optimaliseren de consumenten en de­cen­trale producenten hun verbruik en productie door te verbruiken op momenten van lage stroom­prijs en te produceren bij piekprijzen. Slimme metering maakt ook het verbruik meer ‘zicht­baar’ en kan worden gecombineerd met prepaid kaarten (functie budgetmeter, vooraf­betaling in studenten­kamers, ...). In Californië plant de overheid de invoering van slimme meters bij alle gebruikers, waardoor men een grote energiebesparing maar ook een stabilisatie van het netwerk wil realiseren. Doordat de meterstanden van op afstand kunnen worden gelezen, verge­mak­ke­lijkt het ook het switchen van leverancier en worden meteringskosten gedrukt.

sp.a wil dat ook in ons land door de distributienetbeheerders, in samenspraak met de energie­­leveranciers, werk gemaakt wordt van de uitbouw van ‘slimme netten’ en ‘slimme meters’. Hier­voor moeten de volgende jaren proefprojecten worden opgezet. Op basis van de opgedane ervaring, moeten de distributienetbeheerders op langere termijn de juiste ‘slim­me meters’ volledig uitrollen. We willen hiervoor jaarlijks 3.000.000 € uittrekken.

43.   Lange afstandkabels in de Noordzee als onderdeel van de TEN’s

De Europese Unie heeft de realisatie van een offshore netwerk voor de aansluiting van wind­energie­parken in de Noordzee opgenomen in de lijst van haar prioritaire netwerken. Dergelijk netwerk ver­keert nog in de studiefase. Het zou zich kunnen uitstrekken van de Baltische en Duitse kusten tot Schotland, Zuid-Engeland, Nederland en de Zuidelijke Noordzee voor onze kust. De hoeveelheid windenergie die hiermee gepaard kan gaan, zou tot een beslissende doorbraak kunnen leiden van windenergie in onze globale energie­voorziening.

De elektrische aansluiting van de Belgische offshore windenergieconcessies op de Thornton bank en de Bligh bank en de verbinding van deze projecten met meer noordelijke windparken kan de zuidelijke basis worden van dit netwerk. Onze bijdrage tot dit ambitieus maar veelbelovend Europees project kan ertoe leiden dat ons land opnieuw – na het eerste windenergiepark in Zeebrugge in de jaren tachtig - zijn historische pioniersrol in de windenergie opneemt.

De Belgische elektriciteitswet van 1999 werd in 2006 geamendeerd, zodat een specifiek regulerend mechanisme voor de realisatie van dergelijke netwerkprojecten mogelijk is. Binnen het BNSWEP (Belgian Nordsea Wind Energy Platform) is afgesproken dat een gemeenschappelijke positie van Elia en de 3 concessionarissen in dit verband wordt voorbereid. Het komt er nu op aan om deze wetsbepalingen via gepaste uitvoerings­besluiten in de praktijk te brengen.

sp.a wil in het kader van de Trans Europese Energie Netwerken (TEN-E) werk maken van de uitbouw van een hoogspanningsnet op zee dat onze offshore windmolenparken verbindt met deze van Groot-Brittannië en Nederland. Door de aanleg van ringkabel(s) ontstaat in de Noordzee één soort gigantische elektriciteitscentrale van waaruit stabiele elektriciteit kan worden afgenomen.

Daarbij moet gebruikgemaakt worden van de nieuwste technologie (HVDC-kabels die een enorme capaciteit hebben en over land ondergronds kunnen worden doorgetrokken).

De ringkabel wordt de ruggengraat voor de verdere uitbouw van grootschalige offshore­parken tegen 2020. Op basis van de recente ervaring met de explosieve groei van windenergie op land, is het mogelijk om tegen 2020 meer dan 100.000 MW offshore te ont­wik­kelen in de Noordzee, genoeg om in meer dan 15% van het huidig elektriciteitsverbruik van de EU15 te voorzien. Samen met wind op land, kan windenergie tegen 2020 voor ca 30% van het huidige EU-verbruik zorgen.

Door de constructie van de ringkabel(s)in zee is het eveneens mogelijk om offshore te verbinden met waterkracht in Scandinavië, dat kan fungeren als back-up en stockage (oppompen bij over­pro­ductie). Daarenboven zorgt een ringkabel voor een veel stabielere productie, omdat het bijna altijd wel ergens op de Noordzee waait. Door een combinatie van koppeling via ringkabel(s)en stockage via onder meer waterkracht wordt offshore een zeer betrouwbare vorm van elektri­ci­teits­productie .

11.       Een milieuvriendelijke energieopwekking

Onze samenleving kan dan wel rationeler omgaan met energie, het opwekken van energie zal uiteraard steeds nodig blijven. Bij voorkeur moet hierbij gebruikgemaakt worden van energie uit hernieuwbare bronnen. Hernieuwbare energie is energie die steeds opnieuw kan gebruikt of gewonnen worden. Voorbeelden van dergelijke energiebronnen zijn biomassa, zon, water (stroming, getijden), geothermische warmte en wind. Momenteel is groene stroom nog niet competitief tegenover andere elektriciteit. Dat heeft met verschillende aspecten te maken. In de eerste plaats werden klassieke centrales destijds zwaar gesubsidieerd en versneld afgeschreven met hoge tarieven in een periode dat de markt nog niet vrij was. Daar komt nog bij dat de klassieke centrales een deel van hun kosten blijvend afwentelen op de gemeenschap. Het gaat hier dan om de milieu­schadekosten veroorzaakt door bijvoorbeeld de uitstoot van verzurende en ozonvormende stoffen en fijn stof of de aanspra­ke­lijk­heidskosten bij kerncentrales. Het is alleszins duidelijk dat in een vrije markt waar alle milieukosten en –risico’s zouden ‘geïnter­na­li­seerd’ worden door middel van milieuheffingen, het stellen van financiële zekerheden voor de opkuis van het afval en het invoeren van een volledige aansprake­lijkheid voor schade bij ongevallen (waar­tegen men zich moet verzekeren), hernieuwbare energie nu reeds competitief zou zijn en kernenergie zich automatisch buiten de markt zou prijzen. De verzekering voor de te dekken schade bij ongevallen zou kernenergie immers onbetaalbaar maken.

Terwijl de schaarste aan fossiele brandstoffen de klassieke centrales duurder maakt, zorgen schaalvoordelen en het nog aanwezige innovatiepotentieel ervoor dat hernieuw­bare energie­bron­nen juist goedkoper worden. Als we niet enkel kijken naar de opwekkost, maar naar de totale maat­schappelijke kost – met inbegrip van de veroorzaakte milieuscha­de­kosten – behoort wind­energie nu al tot de goedkoopste energiebronnen.

De groei van hernieuwbare energie en warmtekrachtkoppeling vereist een verdere uitbouw van het systeem van groenestroomcertificaten en warmtekrachtkoppelingcertificaten, steden­bouw­kundige verordeningen die CO2-neutraliteit opleggen voor nieuwe kantoren en woonwijken en een voorbeeldige overheid die zelf investeert in schone technologie (zie hoger). De introductie van microwarmtekrachtkoppeling vereist daarbij een aparte bena­de­ring. De vervanging van onze oude, vervuilende steenkoolcentrales en steeds onveiligere kerncentrales door nieuwe, meer performante installaties in handen van nieuwe spelers die voor een echte concurrentie kunnen zorgen en een neerwaartse druk op de prijzen, vereist een investeringsklimaat waarin de historische voordelen van de huidige monopolist worden weggewerkt. Om dat te bereiken willen we nieuwe investeringskansen vrijwaren voor nieuwe spelers (door een investeringsstop voor dominante partijen) en een veiling van een deel van de productiecapaciteit van de monopolist in afwachting van een door meer spelers beheerd productiepark. Een ‘motten­ballentaks’ op oudere centrales moet het sluitstuk vormen. Zo’n taks op afge­schreven centrales van meer dan 20 jaar oud, recupereert een deel van de overinvestering die de consumenten met hoge tarieven hebben gefinancierd, vermindert het risico op prijsmanipulatie en zorgt aldus voor een stabieler investeringsklimaat. Met de opbrengsten van de mottenballentaks wordt de federale bijdra­ge, de belasting op elektriciteit voor de gebruiker, afgeschaft.

44.   Doelstellingen groene stroom optrekken en de grote bedrijven tot bondgenoot maken

Investeerders in groenestroomprojecten verwachten een aanvaardbare opbrengst over de hele levensduur van het project. De opbrengst is afhankelijk van de waarde van de groene­stroom­certificaten die op haar beurt afhankelijk is van de vraag naar certificaten. De vraag naar certificaten wordt bepaald door de beleidsdoelstelling op vlak van de hoeveelheid certificaten die de elektriciteitsleveranciers jaarlijks moeten voorleggen. Deze beleids­doel­stelling is momenteel slechts vastgelegd tot 2010. sp.a wil dat de doelstelling voor groene stroom stapsgewijs wordt verhoogd van 6% in 2010 naar 12% in 2015. Deze doelstellingen moeten voor alle leveranciers en al hun klanten gelden. Dit betekent dat bestaande vrijstellingen voor grootgebruikers (in Vlaanderen 25% tussen 20.000 MWh en 100.000 MWh en 50% daarboven) worden afgeschaft. Op die manier wordt de productie van groene stroom gevoelig uitgebreid.

Wij willen volgende groene stroomdoelstellingen voor de jaren na 2010:

 

2010

6.0 %

2011

7.2 %

2012

8.4 %

2013

9.6 %

2014

10.8 %

2015

12.0 %

 

Deze doelstelling komt overeen met het pro-actief scenario uit de VITO-studie bij een hoge elektrici­teits­vraag. Om het stabiel investeringsklimaat voor groene stroom te vrijwaren moeten de boeteprijs en de minimumprijs voor groene stroomcertificaten voldoende hoog blijven. De mini­mum­waarde van de groenestroomcertificaten moet afgestemd worden op de onrendabele toppen (studie VITO), rekening houdend met de wijzigingen op het vlak van ecologiesteun.

Tot nu zorgen de groenestroomcertificaten voor sterk gestegen elektriciteitskosten voor de grote, energie-intensieve bedrijven. Zelfs als ze maximaal energie-efficiënt werken bete­kent de bijdrage een forse verhoging van hun factuur. Daardoor zijn deze bedrijven natuurlijke tegenstanders van het beleid op vlak van groene stroom, of in ieder geval geen natuurlijke bondgenoten. Deze bedrijven vertegenwoordigen een grote toegevoegde waarde voor onze economie en de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ze inzake de uitstoot van broeikasgassen forse inspanningen doen. Daarom is het tijd het roer hier om te gooien. Voor zover zij behoren of uitgroeien tot de wereldtop inzake energie-efficiëntie binnen hun sector en zij alle rendabele maatregelen nemen om zo energie-efficiënt mogelijk te produceren, moeten zij zich ten volle in ons land kunnen ontwikkelen. Een delo­ca­li­satie van deze bedrijven of verschuiving van uitbreidingsinvesteringen naar andere landen – waar de milieuvoorwaarden wellicht minder stringent zijn – levert immers geen enkel milieuvoordeel op, integendeel.

sp.a wil dat energie-intensieve bedrijven niet langer gedeeltelijk worden vrijgesteld van de groene stroom­verplichtingen. De meerkost die dit met zich meebrengt voor deze bedrijven willen we volledig compenseren door een subsidie voor deze groenestroomcertificaten voor grote, energie-intensieve bedrijven uit een fonds dat wordt gefinan­cierd met de opbrengst van de Mottenballentaks (zie verder). Op die manier wordt de stijging van de productie van groene stroom met nieuwe technologieën (door het afschaf­fen van de vrijstelling) volledig gefinancierd door een heffing op grijze stroom die wordt gepro­du­ceerd met oude technologie (steenkool en nucleair).

Indien deze bedrijven alle rendabele maatregelen met een IRR van de obligatierente (OLO) nemen, en dus zo energie-efficiënt zijn als economisch mogelijk, willen we hen bijko­mende subsidies geven uit dit fonds  om de meerkost voor de hogere groene stroom­doel­stellingen te beperken. We maken hiervoor de resterende opbrengst van de Mottebal­len­taks vrij (na aftrek van de terugbetaling van de federale bijdrage), dus 242.200.000 €.

45.    Mottenballentaks

De Belgische kerncentrales en steenkoolcentrales werden gebouwd in een gereguleerde markt. Hierbij mochten de producenten een gegarandeerde prijs aanrekenen voor hun elektriciteit aan een gegarandeerd hoog rendement. Komt daar nog bij dat de producenten hun installaties versneld hebben afgeschreven over een periode van 20 jaar, zonder daarna de vastgelegde prijs met de wegvallende afschrijfkosten te laten dalen. De elektriciteitsprijs voor de kleinverbruiker was een van de hoogste in Europa. Toen de markt werd geliberaliseerd waren de centrales dan ook quasi volledig afbetaald. In de vrijgemaakte markt wordt de prijs echter bepaald door de elektriciteitsprijs op de Noordwest-Europese markt. De exploitanten van kerncentrales en steenkoolcentrales boeken dus met hun afgeschreven centrales reusachtige winsten (de zogenaamde windfall profits of stranded benefits), winsten die mogelijk zijn door het feit dat de consument in het verleden hun centrales met hoge tarieven versneld heeft afbetaald. Bovendien kan de historische monopolist door dit systeem zijn de facto monopolie behouden: geen enkele concurrent durft immers te investeren in een markt waar een monopolist de prijs steeds kan verlagen omdat hij dergelijke superwinsten boekt.

sp.a wil deze superwinsten belasten. Dit kan door een heffing in te voeren op deze zogenaamde windfall profits met een zogenaamde ‘mottenballentaks’. Dit gebeurde ook in andere landen, zoals het Verenigd Koninkrijk[36]. Dit geld kan worden geïnvesteerd in een fonds dat kan worden gebruikt om de energiereconversie die we nodig hebben te financieren (zie ook hoger). Op deze manier be­lasten we de afgeschreven kern- en steen­kool­centrales om de centrales van de toekomst te bouwen: hoog­renderende warmte­kracht­koppelingcentrales en elektriciteitsopwekking met her­nieuw­bare bronnen. sp.a heeft daarover al een wetsvoorstel ingediend in het parlement[37].

Met de opbrengst (403.000.000 €) kan in eerste instantie de federale bijdrage op gas en elektriciteit 161.800.000 € volledig worden opgeheven. Hierdoor wordt een gedeelte van wat de consument in het verleden te veel betaalde voor de versnelde afschrijving van kern- en steenkoolcentrales teruggegeven aan de consument. Het overblijvende gedeelte (242.200.000 €) wordt gebruikt voor de reconversie van ons elektriciteitsproductiepark (zie hoger).

 

 

elektriciteitsproductie 2004

windfall profits[1]

windfall profit taks

 

MWh

nucleair

45.171.276

1.580.994.660

363.628.771

steenkool

8.724.416

174.488.320

40.132.313

totaal

53.895.693

1.755.482.980

403.761.085

 

46.   Bevorderen microwarmtekrachtkoppeling (µ-WKK)

Micro-warmtekrachtkoppelingsinstallaties (µ-WKK) zijn verwarmingsketels die tegelijkertijd warmte (voor sanitair water of voor de verwarming) en elektriciteit produceren. Deze elektriciteit wordt vaak met een Stirlingmotor geproduceerd. Anders dan bij een klassieke elektriciteitcentrale gaat de warmte dus niet in koelwater of lucht verloren, maar wordt lokaal nuttig toegepast. Dit betekent uiteindelijk een verlaging van het totale energie­verbruik met ongeveer vijftien procent. Tegelijkertijd wordt daarmee ook de CO2-uitstoot verminderd. Er kan een CO2-reductie van meer dan zestig procent worden bereikt ten opzichte van de traditionele elektriciteitsopwekking. Dit betekent per huishouden een besparing van ongeveer 1000 kg CO2 per jaar. Uiteraard heeft men niet steeds warmte nodig, de installatie van µ-WKK moet gepaard gaan met investeringen in warmteopslag. Men heeft ook niet op elk moment evenveel elektriciteit nodig. Het overschot moet worden uitgewisseld met het netwerk. Door moderne technologie kan een grote groep µ-WKK toestellen worden aan- en afgeschakeld in functie van de elektriciteitsbehoefte van het netwerk. In dit kader worden in Nederland de eerste experimenten met aansturing van Thuiscentrales op afstand uitgevoerd. Een netwerk van aan elkaar gelinkte Thuiscentrales die op afstand regelbaar zijn, wordt ‘virtual power plant‘ genoemd.

Wereldwijd zijn verschillende producenten klaar met de ontwikkeling van hun apparaten en de verovering van de Japanse, Amerikaanse en Europese markt is begonnen. Welis­waar is micro-WKK vandaag nog vrij duur (4.000 € per toestel), maar men verwacht dat met massaproductie de prijs snel met een kwart zal dalen. Ondanks de hoge prijs worden HRE-ketels - middels de elektri­citeits­productie - toch binnen vijf à zes jaar terugverdiend. De overheid heeft dus wel een rol te spelen bij het aantrekken van de markt, deels door subsidiëring, maar vooral door het organi­se­ren van een goede samenwerking met gas- en elektriciteitssector, installateurs van verwar­mings­ketels en financiers (derde partij­finan­ciering). Als wij te lang wachten met het opstarten van ambi­tieuze projecten zouden we wel eens kunnen belanden in een wachtrij bij de producenten van de installaties. In verschillende landen worden grootschalige projecten aange­kondigd en de vraag zou het aanbod kunnen overtreffen.

Tegen 2009 moeten er minstens 5.000 micro-warmtekrachtkoppelingsinstallaties (µ-WKK) geïnstal­leerd zijn. Tegen 2011 moet het aantal groter zijn dan 20.000 eenheden. Hiervoor moet een premie worden ingevoerd om het verschil dat nu bestaat met de klassieke condensatieketel bij te passen.

Tegelijk moet een aantal begeleidende projecten worden opgezet, waarvoor het VITO kan worden ingeschakeld: onderzoek naar de effecten op het elektriciteitsnet (met het voor­­uitzicht op een zeer grootschalige toepassing); naar de combinatie van µ-WKK met slim­me meters (smartgrid, sturing van µ-WKK vanuit 'virtuele centrale'), gebruik van hybride/elek­tri­sche voertuigen bij opslag elek­tri­sche energie.

 

aantal toestellen 2008

5.000

 

aantal toestellen 2009

10.000

 

aantal toestellen 2010

10.000

 

aantal toestellen 2011

10.000

 

Premie

2.500

kostprijs 2008

12.500.000

kostprijs vanaf 2009

25.000.000

 

47.    Investeringszekerheid voor wie zonnecellen zet

Zonnecellen zijn de technologie van de toekomst. Hoewel de prijs van zonnecellen nog duur is, daalt de prijs voortdurend terwijl het rendement en de flexibiliteit van de toepassing (zonnecellen in zonneweringen, verven, …) toeneemt. Het is belangrijk dat ons land meedoet met de ontwikkeling van deze technologie: Belgische bedrijven (SCR Sibelco, IMEC, …) nemen immers een koploperspositie in in de ontwikkeling van zonne­cel­technologie.

In het Vlaams Gewest krijgt iedereen die momenteel PV-cellen installeert een gegaran­deerde vergoeding van 450 €/MWh gedurende 20 jaar. Voor particulieren, onderwijs­instellingen, lokale besturen, vzw's en verenigingen geeft de Vlaamse overheid  bijkomend 10% investeringssteun. Er is een budget van 1.600.000 € beschikbaar voor 2007, goed voor zo’n 1.000 aanvragen. sp.a wil dat dit budget voor volgende jaren wordt opgetrokken tot minstens 3.000.000 €.

Om het investeringsklimaat in Vlaanderen in de richting van een duurzame ontwikkeling te sturen en de ondernemingen aan te moedigen een bijdrage te leveren aan het Kyoto-engagement voerde de Vlaamse overheid de  ‘ecologiepremie’  in.

De premie is bedoeld als financiële stimulans voor ondernemingen die in het Vlaamse Gewest ecologie-investeringen willen realiseren. Ecologiesteun is onder meer mogelijk voor investeringen in duurzame energie (windenergie, fotovoltaïsche zonnepanelen, zonne­boiler, waterkracht...). Voor fotovoltaïsche zonnepanelen wordt afhankelijk van de grootte van de onderneming 25% (voor grote ondernemingen) of 35% (voor KMO's) van de meerkost van de investering gesubsidieerd. Omdat Vlaanderen nu met een call systeem werkt zijn bedrijven echter niet meer zeker van het feit of ze al dan niet ecologiesteun krijgen. sp.a wil dat een gedeelte van deze ecologiesteun gereserveerd blijft voor bedrijven die investeren in PV-cellen, zodat ecologiesteun gegarandeerd blijft voor wie in PV investeert.

48.   Europese normen energie-efficiëntie elektriciteitsproductie

Aangezien de verliezen bij de opwekking van elektriciteit 66 % bedragen is het besparings­potentieel hier enorm. Bij een geraamde groei van 1,5 % per jaar, verwacht Eurelectric – de Europese vereniging die de sector elektriciteitsopwekking vertegenwoordigt – dat in de periode tot 2030 in de EU-15 ongeveer 520 GW aan nieuwe opwekkingscapaciteit moet worden geïnstalleerd. Hiermee zijn gigantische investeringen gemoeid die in de miljarden euro’s lopen. De EU heeft dus een uit­ste­kende gelegenheid om de brandstofefficiëntie in de gehele opwekkingssector radicaal te verbe­teren. Het systeem van emissiehandel van de EU is een doeltreffend middel om de elektriciteits­producenten te stimuleren de emissies te verlagen en de efficiëntie op de meest kosten­effectieve wijze te verbeteren. Tegen 2008 zal de Europese Commissie nieuwe minimum­normen voorstellen voor de energie-efficiëntie van elektriciteitsproductie. In het kader van de richtlijn op het gebied van warmte­kracht­koppeling is er nog veel ruimte om de productieverliezen terug te dringen. Tot op vandaag gebruikt slechts 13% van de elektriciteit die in Europa wordt opgewekt deze technologie. Door te streven naar een verspreiding van beste praktijken en door nieuwe normen op te leggen zal warmtekrachtkoppeling verder gepromoot worden.

49.   Certificering van biomassa en biobrandstoffen

Biobrandstoffen en  biomassa  hebben het potentieel om op korte termijn een substantieel aandeel van de fossiele transportbrandstoffen en de andere primaire energiebronnen te vervangen. Naar­mate het aandeel van biobrandstoffen en biomassa toeneemt, zal er even­wel concurrentie ontstaan met natuurfuncties of functies op het gebied van voedsel­produc­tie. De toenemende vraag naar suikerriet, naar soja of palmolie kan immers leiden tot ont­bos­sing in tropische gebieden of tot een verminderde productie van voedings­ge­was­sen. De toe­genomen vraag naar afvalhout voor verbranding als hout­pel­lets kan in sommige geval­len het hergebruik van dergelijk hout, bijvoorbeeld in de hout­spaan­derindustrie, vermin­de­ren.

Dit kan uiteraard niet de bedoeling zijn. Indien we staan voor een kwantitatieve toename van het aandeel biobrandstoffen en biomassa dan zal het tegelijkertijd nodig zijn om garanties te hebben naar de duurzame productie van deze biobrandstof- en biomassa­stromen. De federale overheid schreef in haar wetgeving op het gebied van de fiscale vrijstelling van biobrandstoffen al milieucriteria in. sp.a wil dat er, naar analogie van producten uit duurzaam bosbeheer die momenteel bijvoorbeeld een FSC-certificaat dragen, ook een certificering van biomassa en biobrandstoffen komt. Deze certi­fi­ce­ring moet rekening houden met de CO2-reductie van de biomassastromen (om ervoor te zorgen dat teelt, verwerking en transport niet meer CO2 uitstoot dan de vermeden hoeveelheid fossiele brandstoffen) en met de duurzaamheid van de productie (zodat gegarandeerd wordt dat bijvoor­beeld geen biodiversiteit verloren gaat).

12.      Meer onderzoek naar nieuwe technologieën

50.   Een VIE voor energieonderzoek

De energierevolutie waar we voor staan vereist heel wat onderzoek en ontwikkeling. Nieuwe technologieën (PV-cellen, batterijen voor hybride wagens en plug-in cars, brandstofcellen, chemische processen voor de aanmaak van biobrandstoffen van de 2de generatie, …) en nieuwe organisatievormen van onze energiemarkt (slimme netwerken, centraal beheer van microwarmtekrachtkoppeling) moeten worden bestudeerd, verbeterd en geïmplementeerd. Toen men, na de tweede Wereldoorlog, voor een sterke uitbreiding van de elektriciteitsvraag stond heeft de overheid massaal geïnvesteerd in onderzoek en ontwikkeling naar steenkooltechnologie en kernenergie. Een gelijkaardige inspanning moet nu plaatsvinden voor onderzoek naar en ontwikkeling van hernieuwbare energie­bronnen, technologieën om energie te besparen of om ons energiesysteem beter en efficiënter te organiseren.

sp.a  pleit voor een gestructureerde en geïntegreerde benadering van het energieprobleem en meent dat er meer aandacht moet uitgaan naar het onderzoek naar alternatieve energietoepassingen. Daarom stelt sp.a voor om, naar het model van het VIB (Vlaams Instituut voor Biotechnologie) of het IBBT (Interdisciplinair Instituut voor Breedband­tech­no­logie) een Vlaams Instituut voor Energie (VIE) op te richten met de bedoeling krachtige impulsen te geven aan onderzoek en ontwikkeling naar hernieuwbare energiebronnen. Het is niet de bedoeling om veel nieuwe structuren op te richten, wel om bestaand onderzoek van onderzoekers die aan hun huidige instelling verbonden blijven te coördineren en om extra kredietlijnen voor onafhankelijk energieonderzoek te ontwikkelen.

Ook het energieonderzoek bij VITO moet hierin gebundeld worden met onderzoeks­ploegen bij vooral universiteiten en hogescholen .

Op die manier kan het VIE borg staan voor drie elkaar aanvullende activiteiten: het ondersteunen van strategisch basisonderzoek, het stimuleren van een technologietransfer en het informeren van het brede publiek over de mogelijkheden van alternatieve en hernieuwbare energiebronnen. Het VIE moet hiertoe de bestaande onderzoeksgroepen rond zich verzamelen om op die manier te zorgen voor schaalvergroting en meer onderlinge samenwerking. We plannen een onderzoeksbudget van 20.000.000 €.

13.      Totaal budget over 4 jaar

Koken kost geld en ook het klimaatbeleid heeft financiële gevolgen. Het is nuttig een goed overzicht te hebben van de financiële gevolgen. In onderstaande tabel zijn alle kosten en inkomsten opgesomd voor de volgende 4 jaar. Het betreft hier additionele uitgaven, bovenop wat al vastgelegd was voor bestaande maatregelen: de fiscale aftrekbaarheid voor energiebesparende investeringen, de investeringen in de uitbreiding van openbaar vervoer en goederentransport via spoor en binnenvaart, de bestaande aanmoedigingen voor energiebesparende investeringen, de ecologiesteun voor groene stroomprojecten, de steun voor energiezuinige apparaten, enzovoort.

Uiteraard is het kapitaal dat wordt ingezet voor de verwezenlijking van dit klimaatplan groter dan het aandeel dat enkel door de overheid wordt uitgegeven. Zo zorgen de gratis leningen voor isolatie voor een jaarlijkse investering van 759.750.332 €, terwijl de overheid de rente voor zich neemt. Andere maatregelen kosten geen geld, maar een verschuiving in de belastingbasis, zoals het CO2-afhankelijk maken van de Belasting op Inverkeerstelling of een herschikking van fondsen, zoals het fonds voor binnenlandse CO2-besparing dat wordt gespijsd met middelen die nu worden uitgegeven voor buitenlandse CO2-emissie­rechten.

In onderstaand overzicht wordt geen onderscheid gemaakt tussen maatregelen die op het federale en op het Vlaamse niveau worden genomen. De verdeling zal passen in een grotere discussie over de institutionele inrichting van ons land en de verdeling van middelen om het klimaatbeleid zo efficiënt mogelijk te voeren. Waar de begrootte uitgaven enkel voor het Vlaamse Gewest zijn berekend is dit weergegeven (*).

 

 

2008

uitgaven

inkomsten

 

 

 

 

 

energiescans

0 €

 

 

gratis leningen isolatie

15.195.007 €

 

 

meerkost E60 woningen

35.722.320 €

 

 

passiefwoningen

2.757.450 €

 

 

passieve sociale woningen

1.116.000 €

 

*

subsidiëring overslagterminals spoor/binnenvaart

24.000.000 €

 

*

versterken lineariteit CO2 bijdrage bedrijfswagens

 

15.000.000 €

 

verminderen aftrekbaarheid brandstofkosten bedrijven

 

49.250.000 €

 

 accijns kerosine

 

1.200.000 €

 

E70 scholen

7.154.000 €

 

*

investeringen in Vlaamse overheidsgebouwen

7.750.000 €

 

*

investeringen in federale overheidsgebouwen

26.750.000 €

 

 

slimme meters

3.000.000 €

 

*

verlaging groene stroomkost energie-intensieve bedrijven

242.200.000 €

 

 

afschaffing federale bijdrage

161.800.000 €

 

 

mottenballentaks op afgeschreven centrales

 

403.000.000 €

 

bevorderen micro-WKK

12.500.000 €

 

*

bevordering PV-cellen

3.000.000 €

 

*

VIE voor energieonderzoek

20.000.000 €

 

 

totaal

562.944.777 €

468.450.000 €

 

netto

94.494.777 €

 

 

 

 

 

 

2009

uitgaven

inkomsten

 

 

 

 

 

energiescans

0 €

 

 

gratis leningen isolatie

30.390.013 €

 

 

meerkost E60 woningen

71.444.640 €

 

 

passiefwoningen

5.514.900 €

 

 

passieve sociale woningen

2.790.000 €

 

*

subsidiëring overslagterminals spoor/binnenvaart

24.000.000 €

 

*

versterken lineariteit CO2 bijdrage bedrijfswagens

 

15.000.000 €

 

verminderen aftrekbaarheid brandstofkosten bedrijven

 

98.500.000 €

 

accijns kerosine

 

1.200.000 €

 

E70 scholen

7.154.000 €

 

*

investeringen in Vlaamse overheidsgebouwen

7.750.000 €

 

*

investeringen in federale overheidsgebouwen

26.750.000 €

 

 

slimme meters

3.000.000 €

 

*

verlaging groene stroomkost energie-intensieve bedrijven

242.200.000 €

 

 

afschaffing federale bijdrage

161.800.000 €

 

 

mottenballentaks op afgeschreven centrales

 

403.000.000 €

 

bevorderen micro-WKK

25.000.000 €

 

*

bevordering PV-cellen

3.000.000 €

 

*

VIE voor energieonderzoek

20.000.000 €

 

 

totaal

630.793.553 €

517.700.000 €

 

netto

113.093.553 €

 

 

 

 

 

 

2010

uitgaven

inkomsten

 

 

 

 

 

energiescans

2.000.000 €

 

*

gratis leningen isolatie

45.585.020 €

 

 

meerkost E60 woningen

107.166.960 €

 

 

passiefwoningen

11.029.800 €

 

 

passieve sociale woningen

5.580.000 €

 

*

subsidiëring overslagterminals spoor/binnenvaart

24.000.000 €

 

*

versterken lineariteit CO2 bijdrage bedrijfswagens

 

15.000.000 €

 

verminderen aftrekbaarheid brandstofkosten bedrijven

 

147.750.000 €

 

accijns kerosine

 

1.200.000 €

 

E70 scholen

7.154.000 €

 

*

investeringen in Vlaamse overheidsgebouwen

7.750.000 €

 

*

investeringen in federale  overheidsgebouwen

26.750.000 €

 

 

slimme meters

3.000.000 €

 

*

verlaging groene stroomkost energie-intensieve bedrijven

242.200.000 €

 

 

afschaffing federale bijdrage

161.800.000 €

 

 

mottenballentaks op afgeschreven centrales

 

403.000.000 €

 

bevorderen micro-WKK

25.000.000 €

 

*

bevordering PV-cellen

3.000.000 €

 

*

VIE voor energieonderzoek

20.000.000 €

 

 

totaal

692.015.780 €

566.950.000 €

 

netto

125.065.780 €

 

 

 

 

 

 

2011

uitgaven

inkomsten

 

 

 

 

 

energiescans

2.000.000 €

 

*

gratis leningen isolatie

60.780.027 €

 

 

meerkost E60 woningen

142.889.280 €

 

 

passiefwoningen

22.059.600 €

 

 

passieve sociale woningen

11.160.000 €

 

*

subsidiëring overslagterminals spoor/binnenvaart

24.000.000 €

 

*

versterken lineariteit CO2 bijdrage bedrijfswagens

 

15.000.000 €

 

verminderen aftrekbaarheid brandstofkosten bedrijven

 

197.000.000 €

 

accijns kerosine

 

1.200.000 €

 

E70 scholen

7.154.000 €

 

*

investeringen in Vlaamse overheidsgebouwen

7.750.000 €

 

*

investeringen in federale overheidsgebouwen

26.750.000 €

 

 

slimme meters

3.000.000 €

 

*

verlaging groene stroomkost energie-intensieve bedrijven

242.200.000 €

 

 

afschaffing federale bijdrage

161.800.000 €

 

 

mottenballentaks op afgeschreven centrales

 

403.000.000 €

 

bevorderen micro-WKK

25.000.000 €

 

*

bevordering PV-cellen

3.000.000 €

 

*

VIE voor energieonderzoek

20.000.000 €

 

 

totaal

759.542.907 €

616.200.000 €

 

netto

143.342.907 €

 

 

 



 

[1] Er van uitgaande dat de wholesale prijs voor elektriciteit in 2004 gelijk was aan 50 €/MWh, de productieprijs voor elektriciteit uit nucleair aan 15 €/MWh en de productieprijs van elektriciteit uit steenkool aan 30 €/MWh.



[1] International Red Cross Federation, ‘World disasters report 1999’, Switzerland, June 1999.

[2] Stern Review on the Economics of Climate Change, Sir Nicholas Stern, HM Treasury, October 2006.

[3] Europese Commissie, Mededeling van de Europese Commissie aan de Europese Raad en het Europees Parlement: Een energiebeleid voor Europa, Brussel, 10-01-2007.

[4] Benchmarking-Convenant over energie-efficiëntie in de industrie zoals goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 29-11-2002.

[5] Auditconvenant over energie-efficiëntie in de industrie zoals goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 10 juni 2005.

[6] Energieprestatiedecreet (Decreet houdende eisen en handhavingsmaatregelen op het vlak van de energieprestaties en het binnenklimaat voor gebouwen en tot invoering van een energieprestatiecertificaat, Belgisch Staatsblad 30 juli 2004).

[7] Met de invoering van een gegarandeerde minimumvergoeding voor offshore windenergie, de bijdrage van Elia in de verbindingskosten van het offshore windmolenpark met het net op het vasteland en de meer realistische regels m.b.t. de bebakening van windmolens (met veel negatieve adviezen van monumenten en landschap als gevolg), heeft de federale regering de belangrijkste federale maatregelen uit het 'Windkracht 10-plan' al gerealiseerd. En in het 'Actieplan Hernieuwbare Energie'  dat de Vlaamse regering in 2005 goedgekeurd heeft, werd nog eens een pak andere maatregelen uit 'Windkracht 10' overeengekomen. Zo werd de minimumvergoeding voor groene stroom voor lange tijd vastgelegd in contracten tussen producenten en netbeheerders (meer rechtszekerheid), werd de omzendbrief over de ruimtelijke inplanting van windmolens geactualiseerd (i.p.v. afstandregels evalueert men voortaan de impact op het vlak van geluid, slagschaduw en natuur, zodat men meer inplantingsmogelijkheden krijgt in industriegebieden en zeehavens), zullen in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) in 2008 doelstellingen opgenomen worden inzake zowel de inplanting van het noodzakelijk vermogen aan windturbines als de opmaak van ruimtelijke uitvoeringsplannen voor de inplanting van windturbines en komen er maatregelen om het maatschappelijk draagvlak voor hernieuwbare energie te versterken (oproep demonstratieprojecten met tot 50 % subsidies voor het innoverende deel van het project; lokale besturen krijgen voorbeeldpakket inzake toepassing van REG en hernieuwbare energie). 

[10] Ondersteuningsmechanismen voor groene stroom, toelichting door Oliver Schaefer, Euro-pean Renewable Energy Council, op het seminarie ‘Ondersteuningsmechanismen voor groene stroom’, georganiseerd door ODE Vlaanderen, 15 april 2005.

[11] Studie ‘Is er plaats voor hernieuwbare energie in Vlaanderen’ door het Vlaams Instituut voor Wetenschappelijk en Technologisch Aspectenonderzoek (viWTA) van november 2004.

[12] ‘Beheer van de energievraag’ in het raam van de door België te leveren inspanningen om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. i.o.v. het Belgische ministerie van Economie, uitgevoerd door het Fraunhofer Institute for Systems and Innovation Research. mei 2003

[13] Nationaal Instituut voor de Satistiek, 2001.

[14] Fraunhofer Institut studie over energiebesparing in België, 31-05-2003.

[15] André De Herde (UCL), Griet Verbeeck (K.U.Leuven), Luc Hens (VUB)

[16] Voorontwerp van besluit van de Vlaamse Regering inzake de openbaredienst­verplich­tingen ter bevordering van het rationeel energiegebruik

[17] Wonen en Werken en Leren Ondernemen

[18] Bewertung des Koalitionsvertrages von CDU/CSU und SPD

[19] Advies ter aanvulling van het advies van 21 december 2005 inzake energie-efficiëntie in de woningsector in België, 19-04-2006, Centrale Raad voor het Bedrijfsleven.

[20] NIS, 2001.

[21] Georges Devent, adviseur Belgisch Verbond van de Glasindstrie: 8.000 manjaren in de fabricage, 5.500 in de plaatsing, 2.500 in de aanpassing van bestaande ramen, en 3.750 in het uitbreken en afvoeren. Dit in de veronderstelling dat men in 90% van de vervangingen ook de ramen vervangt, 1 persoon per dag 15 m² hoogrendementsglas maakt, 1 manjaar 200 dagen en 8.000 uren telt, 1 persoon per uur 2,5 m² hoogrendementsglas kan plaatsen en 0,4 m² kan vervangen

[22] Uitgaande van 2 mandagen voor de isolatie van een dak, 200 mandagen per jaar voor een arbeider, worden 13.745 manjaren gecreëerd

[23] Technisch-economische analyse van de rendabiliteit van energiebesparende investe­ringen – BIJLAGEN. 3E en Afdeling Bouwfysica K.U.Leuven – Roel De Coninck/Griet Verbeeck – 13/08/2005

[24] CEPHEUS – measurement results from more than 100 dwelling units in passive houses. ECEEE 2003

[25] Het Klimaatbeleid na 2050. Analyse van scenario’s voor emissiereductie tegen 2020 en 2050. Federaal Planbureau, juli 2006.

[26] Wai 2004, Kem 2004. Statusverslag 2004 van het Instituut voor milieu en duurzaamheid (IES) van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek.

[27] Landen die maatregelen hebben doorgevoerd om energie-efficiënte lampen in huis­houdens te bevorderen, zijn het VK, Brazilië, Californië, China en Zuid-Afrika (uit: “Barriers to Technology Diffusion: The Case of Compact Fluorescent Lamps”, Work document OECD/IEA, Project for the Expert Group on the UNFCCC, Paris, September 2006).

[29] Bepalen van een Ecoscore voor voertuigen en toepassing van deze Ecoscore ter bevordering van het gebruik van milieuvriendelijke voertuigen. VITO in opdracht van ANRE, maart 2005.

[30] ‘Actieplan 2006-2010: Energiezorg in de Vlaamse overheidsgebouwen’, beslissing Vlaamse regering van 20 juli 2006.

[31] ‘Actieplan 2007-2010: Milieuzorg in het voertuigenpark van de Vlaamse overheid’, beslissing Vlaamse regering van 26 januari 2007.

[32] Energieprestaties in schoolgebouwen, WTCB, februari 2007.

[33] Technisch-economische analyse van de rendabiliteit van energiebesparende investe­ringen. Eindrapport. Brussels Instituut voor Milieubeheer. Roel De Coninck(3E), Griet Verbeeck (K.U.Leuven). 13/08/2005.

[34] Energiegebruik en energiebesparingspotentieel in de basis- en secundaire scholen in Vlaanderen, VITO, maart 2001, blz. 66.

[35] Energiebeheer bij het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap 2002-2004, Ingenium, 5/7/2004, blz. 56-60

[36] Finance (No. 2) Act 1997. 1997 Chapter 58. Windfall tax. House of Commons, UK, 31 juli 1997.

 

[37]Wetsvoorstel van Bart Martens en Myriam Vanlerberghe van 16 juni 2006 tot wijziging van de federale heffingen op elektriciteit en gas, tot verzekering van de goede werking van de vrijgemaakte energiemarkt in België en het tegengaan van een te grote concentratie in de markten voor elektriciteitsproductie en de invoer van aardgas, tot verzekering van de onafhankelijkheid van de vervoersbedrijven van elektriciteit en aardgas en tot veiligstelling van de provisies voor de ontmanteling van kerncentrales in België; http://www.senate.be/www/?MIval=/dossier&LEG=3&NR=1759&LANG=nl