1.            Inhoud

1.         Inhoud. 2

2.         Inleiding. 5

Ons klimaat: actie is noodzakelijk. 5

Een nieuwe industriële revolutie is nodig. 7

Kiezen voor technologie die werkt. 8

We moeten de kans grijpen om technologisch voor te lopen. 9

3.         Ambitieuze doelstellingen, voortbouwen op de gelegde fundamenten. 10

Ambitieuze doelstellingen. 10

De fundamenten zijn gelegd. 10

Er moet voortgebouwd worden. 18

4.         Het sp.a klimaatplan. 20

5.         Comfortabel wonen en werken in energiezuinige gebouwen. 22

Er moet een grootschalig e-novatieprogramma komen voor bestaande woningen. 22

1.      Weten is meten: het aantal energiescans moet worden uitgebreid. 23

2.      De renovatiepremie inzetten voor e-novatie. 24

3.      Een energiezuinige woning moet een recht worden voor elke bewoner. 24

4.      Een Alliantie voor Arbeid en Milieu. 25

5.      Er moet een grootschalig programma voor dakisolatie en beglazing komen. 26

6.      Sociale woningen moeten worden ge-enoveerd. 28

Nieuwe woningen moeten steeds energiezuiniger worden. 28

7.      Voor nieuwe woningen: een E60-woning mag niet meer kosten. 28

8.      Passiefhuizen moeten steeds meer ingang vinden. 30

9.      Nieuwe sociale woningen moeten echt sociaal zijn: passiefhuizen dus. 31

CO2-neutrale kantoorgebouwen en woonwijken. 32

10.    Haalbaarheidsstudies voor passiefstandaard en CO2-neutraliteit in grote gebouwen en nieuwe woonwijken   32

11.    Nieuwe kantoorgebouwen moeten een E-peil hebben van E60.. 33

6.         Energiezuinige apparaten en materialen. 34

Een Europees energielabelingsysteem met opschuivende normen. 34

12.    Op Europees niveau ijveren voor strenge, opschuivende normen. 35

‘Energievreters’ ontmoedigen. 36

13.    Een fiscaal beleid dat energievreters ontmoedigt. 36

14.    Een doorgedreven sensibilisatiebeleid. 36

7.         Een intelligent gebruik van mobiliteit. 37

De organisatie van ons vervoerssysteem verbeteren. 38

15.    Locatiebeleid, bedrijfsvervoerplannen en mobiliteitsconvenanten. 38

16.    Distributiecentra concentreren in de ‘poorten’: (binnen)havens, overslagplaatsen   39

Investeren in de structuur van ons transportsysteem.. 39

17.    Blijven investeren in het openbaar vervoer voor reizigers. 39

18.    Blijven investeren in het goederenvervoer per spoor. 40

19.    Blijven investeren in binnenvaart. 41

20.    Subsidiëring van overslagterminals voor spoor en binnenvaart. 41

Vergroening van het transport. 42

21.    De Belasting op inverkeerstelling (BIV) afhankelijk maken van CO2-uitstoot. 42

22.    De verkeersbelasting vervangen door een bijkomende bijdrage op brandstof 42

23.    De Europese CO2-norm voor wagens verstrengen tot 120 g/km.. 43

24.    Carsharing blijven promoten. 43

25.    De bedrijfswagenvloot vergroenen: met 20% in 4 jaar. 44

26.    Bedrijven verplichten een evenwaardige passe-partout portefeuille aan te bieden als ze een bedrijfswagen aanbieden. 45

27.    De aftrekbaarheid van brandstofkosten voor bedrijven aan banden leggen. 45

28.    Het aandeel van duurzame biobrandstoffen optrekken tot 10%... 46

Fietsen als gezond en milieuvriendelijk alternatief. 46

29.    Bijkomend investeren in fietsinfrastructuur. 46

Vliegverkeer alleen waar nodig en milieuvriendelijker. 47

30.    Vluchten korter dan 150 km verbieden. 47

31.    Opname van luchtvaart in Europees systeem van emissiehandel 47

8.         Een overheid die het goede voorbeeld geeft. 49

32.    Een Kyotonorm voor elk openbaar bestuur. 49

33.    E-70 moet de norm worden voor nieuwe schoolgebouwen. 51

34.    Alle energiebesparende maatregelen in overheidsgebouwen met een terugverdientijd kleiner dan 15 jaar nemen   52

35.    Innovatief aanbesteden door de overheid. 53

36.    Delcredere mag geen klimaatvervuilers meer verzekeren. 54

37.    Een energie-efficiënte ontwikkelingssamenwerking. 55

9.         Zuinigere industriële processen. 56

38.    Binnenlandse tender CO2-besparing. 56

39.    Stimuleren van industriële ecosystemen. 57

40.    Uitbreiden en verfijnen Europese regelgeving rond broeikasgassen. 58

41.    Nieuwe Europese kwaliteitsnormen voor  brandstoffen. 59

10.        Een nieuw soort energienetwerk. 60

42.    Invoeren van slimme metering. 61

43.    Lange afstandkabels in de Noordzee als onderdeel van de TEN’s. 61

11.        Een milieuvriendelijke energieopwekking. 63

44.    Doelstellingen groene stroom optrekken en de grote bedrijven tot bondgenoot maken   64

45.    Mottenballentaks. 65

46.    Bevorderen microwarmtekrachtkoppeling (µ-WKK). 66

47.    Investeringszekerheid voor wie zonnecellen zet. 68

48.    Europese normen energie-efficiëntie elektriciteitsproductie. 68

49.    Certificering van biomassa en biobrandstoffen. 69

12.        Meer onderzoek naar nieuwe technologieën. 70

50.    Een VIE voor energieonderzoek. 70

13.        Totaal budget over 4 jaar. 71

2.          Inleiding

Ons klimaat: actie is noodzakelijk

Onze menselijke activiteiten veroorzaken een opwarming van het klimaat, daar twijfelt nie­mand nog aan. Sinds de industriële revolutie zijn we steeds meer broeikasgassen (waarvan koolstofdioxide of CO2 het belangrijkste is) gaan uitstoten, waardoor de concentratie in onze atmosfeer geleidelijk is toegenomen, van CO2 van 280 ppm (deeltjes per miljoen) voor de industriële revolutie tot 379 ppm in 2005. Deze broeikasgassen houden de warmte­straling van de zon vast, een natuurlijk fenomeen waardoor onze aarde leefbaar is. Maar door de toenemende concentraties stijgt de tempe­ratuur van de aarde boven de normale niveaus. Sinds het begin van de industriële revolutie is de temperatuur op aarde al 0,74 °C gestegen. Dat lijkt niet veel, maar betekent een wereld van verschil voor heel wat systemen die zich niet kunnen aanpassen aan te snelle lokale of regionale temperatuur­stij­gingen die vaak veel extremer zijn dan het gemiddelde. Dit heeft gevolgen voor de voedsel­pro­duc­tie, de waterhuishouding in heel wat gebieden, de verspreiding van planten- en dier­soorten en het voorkomen van weerfenomenen als hittegolven en tropische stormen.

Het is niet de eerste keer dat de temperatuur op aarde fluctueert, het is wel de eerste keer dat de wijzigingen zo snel plaatsvinden en het gevolg zijn van menselijke activiteit. Bovendien gaat men er van uit dat de huidige klimaatverandering niet enkel erg snel gaat, maar ook in sprongen zal ver­lopen. Toen in het verleden de temperatuur langzaam wijzigde, schoven planten en dieren mee met de klimaatgordels en migreerde de toenmalige schaar­se bevolking van jagers-voedsel­voor­zieners naar andere continenten. Maar nu verschuiven de klimaatgordels zo snel, dat planten en dieren ze niet meer kunnen volgen, terwijl in onze huidige, dichtbevolkte wereld ook massale migratie moeilijk en onwenselijk is geworden. Hierbij komt nog dat heel wat gebieden waar de klimaat­verandering hard kan toeslaan (Bangladesh, grote delen van Afrika, grote kuststeden in ont­wikkelingslanden, ...) dichtbevolkt zijn en niet over de middelen beschikken om zich tegen overstromingen of verdroging te beschermen, als dat al mogelijk zou zijn. Een ramp komt dubbel hard aan als je arm bent. Het Rode Kruis schat dat er momenteel 10 miljoen mensen[1] op de vlucht zijn voor natuurrampen. Het rapport[2] dat in opdracht van de Britse regering werd opgemaakt door Sir Nicholas Stern, voormalig hoofdeconoom van de Wereldbank, begroot de kosten van niet-handelen op termijn op 5 tot 20% van het mondiale BNP of 12.000 miljard dollar. Dit zou leiden tot een wereldwijde economische crisis in de grootteorde van deze uit de jaren ’30.

Bij een temperatuurstijging van 2 °C op wereldniveau is er al een tamelijk grote zekerheid dat de impact van klimaatswijziging wereldwijd grote schade berokkent. Hoe groter de tempe­ratuurstijging, hoe ingrijpender de impact. Belangrijke evenwichten op onze planeet kunnen uit balans worden gebracht: de ijskappen smelten, wat wijzigingen in het patroon van golfstromen veroorzaakt, de Siberische permafrost ontdooit in de zomer waardoor broeikasgassen als methaan en CO2 worden vrijgemaakt, enzovoort. Dit heeft gevolgen die de klimaatverandering nog versterken, met nog meer temperatuurstijging tot gevolg.

Algemeen wordt aangenomen dat ons klimaatsysteem uit evenwicht geraakt en dat grote schade wordt aangericht aan de mensheid en ecologische systemen al de gemiddelde temperatuur op aarde met meer dan 2 °C stijgt ten opzichte van voor de industriële revolutie. Uit onderzoek blijkt dat de CO2-concentratie zeker onder de 450 ppm moet blijven willen we dit vermijden. Om dit te bereiken, moeten we dringend maatregelen nemen. Omdat de uitstoot per inwoner veel groter is in de industrielanden (in de VS 5,6 ton, in de EU 2,4 ton, in China 0,5 ton en in India 0,2 ton) moeten hier ook de belangrijkste inspan­ningen plaatsvinden. De Europese Commissie[3] wil de uitstoot van broeikasgassen tegen 2020 met 30% verminderen in de industrielanden. Als andere ontwikkelde landen zich niet engageren zal de EU eenzijdig voor een reductie van 20% zorgen, aldus het voorstel van de Commissie. De Europese ministerraad moet dit voorjaar uiteindelijk beslissen. Tegen 2050 moet de uitstoot van broeikasgassen in de ontwikkelde landen zelfs met 60-80% naar beneden. Hoewel nog geen verdeling per lidstaat werd voorgesteld, staat het vast dat ook België hierin een be­langrijke bijdrage zal moeten leveren.

sp.a wil dat Europa ambitieuzer is. We moeten er absoluut voor zorgen dat de temperatuur wereld­wijd niet meer dan 2 °C stijgt tegenover pre-industriële niveaus. De EU moet zich engageren om de uitstoot van broei­kas­gassen tegen 2020 met 30% te verminderen, ongeacht wat de rest van de wereld doet. Uit de kostenbaten analyses van de Europese Commissie blijkt duidelijk dat de econo­mische kosten van derge­lijke reducties een stuk lager liggen dan de economische baten, en bovendien heel wat banen voort­brengen. Een drastische reductie van ons gebruik van klassieke energiebronnen, zorgt immers ook voor een betere luchtkwaliteit, minder gezond­heidsschade en een verminderde afhankelijkheid van door schaarste en geopolitieke spanningen opgejaagde prijzen op de wereldener­gie­markt.

Bovendien moet Europa deze kans grijpen om technologisch voor te lopen op de rest van de wereld. Europa heeft als een van de meest welvarende regio’s ter wereld en grootste economische markt ook de morele plicht om technologie te ontwikkelen die veralge­meenbaar is op wereldvlak en opkomende economieën in staat stelt meteen schoon te ontwikkelen. Op die manier kunnen zij ‘haasje over springen’ en in hun ontwikkelings­proces een aantal stappen overslaan die wij destijds verkeerdelijk hebben gezet. Zo kunnen zij meteen inzetten op een duurzame, decentrale energie­voorziening zonder verspil­lende megacentrales te bouwen die met veel verliezen hun stroom over een kilometerslang hoogspanningsnet moeten vervoeren.

Zo’n 30%-doelstelling tegen 2020 is geen utopie. Indien we 20% efficiënter omspringen met onze energie en 20% energie betrekken uit hernieuwbare bronnen zal naar schatting al 28% minder broeikasgassen worden uitgestoten. En dit zonder iets te wijzigen aan onze hoge levens­standaard en onze economische groei.

Een nieuwe industriële revolutie is nodig

Om de nodige daling van de uitstoot van broeikasgassen te bereiken moet onze economie worden omgevormd tot een koolstofarme economie. Hiervoor is als het ware een nieuwe industriële revolutie nodig die voluit inzet op energie-efficiëntie en hernieuwbare energie. In onze geschiedenis hebben zich al eerder energietransities voltrokken: van hout en turf in de Middeleeuwen over steenkool in de eerste industriële revolutie en petroleum sinds de opkomst van de auto tot kernenergie in de tweede helft van de 20ste eeuw. De uitdaging waar we nu voor staan is om de energie-intensiteit van onze economie te laten afnemen en de opwekking van de energie die we nodig hebben duurzaam te laten verlopen door middel van hernieuwbare bronnen als zonne-energie, geothermische energie, water-, golfslag- en windenergie of energie uit biomassastromen. Het potentieel hiervoor is er. Door  betere technologieën in te zetten en door bewuster met energie om te gaan kan er op vijftien jaar tijd naar schatting minstens een vierde bespaard worden in woningen, in bedrijfsgebouwen, in het huishouden en in het transport. Dit leidt tot een jaarlijkse energiebesparing met voor Europa het astronomische bedrag van 100 miljard €.

Door het gebruik van eindige brandstoffen als aardolie, steenkool, aardgas en uranium af te bouwen behalen we ook andere voordelen. Fossiele brandstoffen en uranium zijn sowieso eindig. De verbranding van steenkool en aardolie veroorzaakt de uitstoot van verzurende en ozonvormende stoffen en fijn stof, met negatieve gevol­gen voor de lucht­kwaliteit en de gezondheid van mensen en ecosystemen. Kern­energie blijft gevaarlijk – zeker tegen de achtergrond van het mondiaal terrorisme - en zadelt ons op met radio­actief afval waar na een halve eeuw onderzoek en beloftes nog steeds geen oplossing voor is. Fos­siele brandstoffen maken ons afhankelijk van het buitenland, vaak van regio’s die onstabiel zijn of waar dictaturen heersen. De ontginning van uranium, petroleum en steenkool gebeurt vaak in mens­on­waardige omstandig­heden met heel wat milieuvervuiling voor de lokale bevolking. Tenslotte levert de investering in energie­opwekking uit hernieuw­bare bronnen heel wat banen op en biedt het onze industrie de mogelijkheid om innovatieve technologie te valoriseren in het buitenland.

Kiezen voor technologie die werkt

Vandaag pleiten sommigen voor technologische avonturen om het klimaat te redden. In de VS wil de NASA experimenteren met ruimteschilden om de zonnestraling af te leiden. Dichter bij huis wil de nucleaire lobby alles zetten op kerncentrales van de vierde generatie (GenIV). Bovendien wordt dan voorgesteld om zogenaamd ‘in afwachting’ van Gen IV de huidige kernreactoren langer open te houden. Een levensduur­ver­lenging zou ons afhankelijk maken van oude reactoren, op zich een technologisch en economisch avontuur. Omdat de bestaande kerncentrales al werden afgeschreven in de beschermde markt, kan de exploitant van kerncentrales eigenhandig de elektriciteitsprijs bepalen waardoor investeerders in nieuwe, schone technologieën geen investerings­zekerheid hebben. sp.a wil schone technologieën investeringszekerheid geven. Daarom moet de onzekerheid die wordt gezaaid over de kernuitstap eindigen en moet volop werk worden gemaakt van schone vervangcapaciteit.

Energiezuinige technologieën en energieopwekking uit hernieuwbare bronnen zijn vandaag al be­schik­baar. Sommige technologieën, zoals fotovoltaïsche zonnecellen of wagens met hybride motoren die op het stroomnet worden ingeplugd, kunnen nog veel efficiënter en rendabeler worden. Hiervoor is bijkomend onderzoek nodig. Andere technieken als passiefhuisbouw worden in sommige landen al op grote schaal toegepast zonder noemens­waardige meerkost. Vaak is het een kwestie van politieke wil, van het veranderen van gewoonten of van sensibilisatie om ze op grote schaal ingang te doen vinden. In hun aanloopfase vragen nieuwe technologieën vaak ook onder­steuning vanuit de overheid door middel van subsidies of een groen aankoopbeleid door diezelfde overheid. Maar zo’n ondersteuning is niet eeuwig nodig. Door zogenaamde leereffecten en schaal­voordelen wordt nieuwe technologie snel goedkoper (terwijl klassieke energieopwekking door schaar­se grondstoffen juist duurder wordt). Zo daalde de kost voor het opwekken van stroom uit windturbines met 80% sinds het begin van de windmolenontwikkeling in de jaren ’70. Bij elke verdubbeling van het geïnstalleerd vermogen daalt de prijs met 15% (die van zonnecellen met 20%). Brits onderzoek toont aan dat tegen 2020 windenergie goedkoper zal zijn dan nieuwe kern- en steenkoolcentrales en concurrentieel met de meest performante gascentrales. Een sterk innova­tie­beleid samen met een slimme en markt­conforme overheidssteun voor de ontwikkeling en toe­pas­sing van duurzame energie­technologie moet ervoor zorgen dat we de kansen nu grijpen zodat we meekunnen op de groeigolf van de voorlopers. De vraag is immers niet of hernieuwbare energie zal ontwik­kelen tot concurrentiële oplossingen voor grote schaaltoepassingen, de vraag is of wij in deze ontwikkeling een koploperspositie kunnen verwerven of behouden.

We moeten de kans grijpen om technologisch voor te lopen

Veranderingen brengen steeds kansen met zich mee. Door zich in het verleden ondubbelzinnig achter het Kyotoprotocol te scharen bouwde Europa een voorsprong uit op vlak van energiezuinige tech­nolo­gieën en hernieuwbare energie. President Bush in de VS argumenteerde dat elke verplichte broeikasgasreductie de Ameri­kaanse industrie zou schaden. Intussen blijkt het tegendeel waar te zijn. Amerikaanse autoconstructeurs als Ford en General Motors hebben het moeilijk om te concurreren met Europese of Japanse constructeurs die zuinigere wagens produceren. China voerde intussen voor zijn eigen wagens de Euro III-norm in tegen 2008 en overweegt hetzelfde te doen met de Euro IV norm. Europa is al mondiaal marktleider in technologie voor hernieuwbare energie en dit met een omzet van 20 miljard Euro en een tewerkstelling van 300.000 mensen. Voor windenergie bijvoorbeeld hebben Europese bedrijven 60% van de wereldmarkt in handen.

Door ambitieus te zijn in zijn klimaatdoelstellingen kan Europa technologisch voorop blijven lopen. Ook ons land heeft hier een rol in te spelen. Uiteraard is België slechts een klein land en dragen de broeikasgasreducties die wij realiseren slechts in kleine mate bij tot de nodige wereldwijde broei­kas­gasreduc­tie. Maar de technologie die wij ontwikkelen om onze doelstellingen te behalen kan ook in andere landen worden ingezet en daar haar nut bewijzen.  Als straks door het beleid van de federale overheid C-Power - met Dredging International - in de Noordzee het eerste offshore windturbine­park op een dergelijke diepte realiseert, gaat voor het Belgische Dredging een wereld­markt aan zulke projecten open en kunnen onze baggeraars overal ter wereld op zee dergelijke windmolenparken aanleggen. De halfgeleidertechnologie van Imec en Umicore en de Lithium-ion batterijen van die laatste openen mogelijkheden voor onze bedrijven op de boomende markten van fotovol­taïsche zonnecellen en batterijen in elektrische en hybride wagens. En de waterstof­gasbus die bussen­bouwer Van Hool ontwikkelt samen met UTC Technologies - wereldleider op vlak van brandstofcellen - verovert straks misschien ook heel Europa.  Hansen Transmissions in Lommel is wereldleider in de productie van tandwielkasten voor windtur­bines. Op vlak van stortgasgebruik en mestverwerking met elektriciteits­opwekking loopt Vlaanderen wereld­wijd voorop. Zulke ontwikke­lingen vragen een doorgedreven innovatie­beleid en de creatie van een thuismarkt (via een ‘groen aan­koop­beleid' door de overheid en nieuwe wetgeving) die de afzet van de nieuw ontwikkelde producten in de aan­loop­fase stimuleert. Zo'n voorloperbeleid vergroot de kans dat onze bedrijven straks in de rest van de wereld een rol gaan spelen die het niveau van onze kleine regio ver overstijgt. Door ons land uit te bouwen tot een incubatie- en kraamkamer voor de ontwikkeling van nieuwe technologieën die wereldwijd kunnen worden toegepast en letterlijk een wereld van verschil kunnen maken, kunnen ook wij een betekenisvolle bijdrage leveren aan de wereldwijde strijd tegen de klimaatverandering. sp.a wil dat ons land de klimaat­verandering niet ondergaat, maar zelf mee vorm geeft aan een koolstofarme toekomst.

3.           Ambitieuze doelstellingen, voortbouwen op de gelegde fundamenten

Ambitieuze doelstellingen

sp.a vindt dat de EU zijn uitstoot van broeikasgassen tegen 2020 met 30% moet verlagen om ervoor te zorgen dat de temperatuurstijging wereldwijd gemiddeld minder dan 2 °C  bedraagt. Tegen 2050 vereist dit naar alle waarschijnlijkheid een reductie met 80%. sp.a kan zich vinden in de doelstelling om tegen 2020 minstens 20% van de energie in de EU te genereren uit hernieuwbare bronnen en om de energie­vraag met minstens 20% terug te dringen. Tussen 2007 en 2011 moet dit al 8% bedragen. Op vlak van warmtekracht­kop­peling moeten we ook in ons land naar een Europees vooropgesteld gemid­deld aandeel van ongeveer 20% kunnen stijgen.

sp.a wil dan ook dat ons land in Europa mee aan de kar blijft trekken voor ambitieuze broei­kas­­gas­reductie­doelstellingen en voor een Europese politiek om die doelstellingen te bereiken. Maatregelen zijn nodig op alle terreinen: van stand-by lampjes in een DVD-speler tot de organisatie van ons hoog­spanningsnet, van het uittekenen van verkavelingplannen tot het te voeren beleid op vlak van ont­wik­ke­lingssamenwerking, zodat we andere landen gebruik laten maken van de in ons land ontwikkelde kennis en technologie. 

De fundamenten zijn gelegd

Uiteraard lukt dit niet van vandaag op morgen. Ook bij de huidige Kyoto­doelstellingen (7,5% broei­kas­gasreductie tegen 2008-2012) zien we dat vele maatregelen tijd vergen om ten volle resultaat af te werpen. Pas in 2004 werd binnen België tussen de regio’s en de federale staat een akkoord bereikt over de lastenverdeling van de Belgische Kyotodoelstellingen, waardoor het klimaat­beleid echt van start kon gaan. De federale overheid nam een groot deel van de Kyoto-inspanning op zich (40%) en besloot het overgrote deel daarvan in eigen land te realiseren. Voor projecten in het buiten­land gold daarenboven de strikte voorwaarde van duurzaamheid. Vele maatregelen die werden genomen beginnen pas nu de eerste resultaten op te leveren.

Zowel het energieverbruik van productieprocessen als dat van gebouwen en wagens werd aange­pakt. Met de energie-intensieve industrie sloot de Vlaamse overheid een benchmark­convenant[4]  af. Hierin verbinden de energie-intensieve bedrijven zich er toe de meest energiezuinige technologie ter wereld aan te wenden die moet worden opgespoord via een maatstafvergelijking (de zogenaamde ‘benchmarking’). In ruil daarvoor krijgen zij emissierechten die gebruikt kunnen worden in het Europese CO2-emissiehandelsysteem. Dit systeem verplicht grote bedrijven voor hun jaarlijkse CO2-uitstoot evenveel emissie­rechten voor te leggen. Stoten ze meer uit dan ze aan rechten hebben gekregen, dan hebben de bedrijven de keuze tussen energiebesparing of de aankoop van emissierechten van bedrijven die door investeringen minder uitstoten dan waar ze recht op hebben. Met kleinere bedrijven sloot de Vlaamse regering een auditconvenant[5] af. Deze bedrijven verbinden zich er toe een audit te laten uitvoeren om hun energie­besparings­potentieel in kaart te brengen en alle rendabele maatregelen uit te voeren. Voor gebouwen geldt vanaf 1 januari 2006 een nieuwe energie­prestatie­regelgeving[6]. Deze legt voor nieuwbouw of grondige renovatie nieuwe, strengere normen vast op gebied van isolatie, efficiëntie van de verwarming, binnenklimaat en ventilatie. Een systeem van energie­certifi­cering verplicht tot een doorlichting van de energie­prestaties van bestaande gebouwen die worden verkocht of verhuurd. Daardoor krijgen woningen een energielabel naar analogie van de energielabels op elektrische apparaten. Dit energielabel maakt de verborgen energiekosten zichtbaar, geeft de rendabele besparings­maat­regelen aan en zet de verkoper, koper of verhuurder aan daarin te investeren. Aan de distributie­netbeheerders werd een jaarlijkse energie­besparing­doelstelling opgelegd. Zij moeten via premies hun klanten aanzetten tot investeringen in rationeel energiegebruik (REG) om deze doelstelling te bereiken.  

Figuur 1: Bekendheid van REG-maatregelen in het Vlaams Gewest

De overheid verhoogde de aftrekbaarheid voor investeringen in energiebesparing, maakte de aanschaf van zuinige wagens fiscaal aftrekbaar, richtte Fedesco op voor de derdepartij­finan­cie­ring van REG-investeringen in overheidsgebouwen, zorgde voor de bijmenging van bio­brand­stoffen in diesel en benzine, voorzag in een CO2-gerelateerde bijdrage aan de sociale zekerheid die geïnd wordt op bedrijfswagens en richtte een energiebesparingfonds op dat quasi renteloze leningen verstrekt voor investeringen in energiebesparing. Binnen de transport­sector wordt ingezet op een effi­ciëntieverbetering van het vervoerssysteem (minder milieu­belastende vervoerswijzen zoals spoor en binnenvaart voor goederen en openbaar vervoer voor personen) en van de vervoersmiddelen (zuinigere en schonere wagens). Het aantal passagiers op trein, tram en bus neemt jaarlijks met forse schreden toe. Het aantal reizigers van de NMBS is tussen 2000 en 2006 gestegen van ongeveer 140 miljoen naar 180 miljoen. Dit is een stijging van bijna 30%.

Figuur 2: Aantal reizigers NMBS

Onder impuls van de Vlaamse regering is het aantal reizigers van De Lijn de laatste jaren spectaculair toegenomen, met name van ongeveer 220 miljoen in de jaren’90 naar meer dan het dubbele, 450 miljoen reizigers, in 2005.

Figuur 3: Reizigers De Lijn (Vlaams Gewest)

Ook in Brussel nam het aantal gebruikers van het openbaar vervoer toe: van 159 miljoen reizigers in 1999 naar 255 miljoen in 2005.

Figuur 4: Aantal reizigers MIVB (Brussels Gewest)

De fiets is populairder dan ooit in Vlaanderen. In Brussel verdubbelde het aantal fietsers vorig jaar zelfs, al is hier natuurlijk nog een hele weg te gaan.

Ook de hervorming die de Vlaamse regering enkele jaren geleden doorvoerde in de binnenvaart wierp zijn vruchten af, met een stijging van het vervoerde tonnage tot gevolg.

Figuur 5: Evolutie transport per binnenschip in Vlaanderen (1990 = 100)

De laatste jaren is het budget voor onderzoek en ontwikkeling naar energiezuinige technieken toegenomen, waardoor heel wat technologie beschik­baar kwam. Een energiediensten­economie krijgt vorm. Steeds meer publieke en private initiatieven zorgen voor een leger van deskundigen die de energie-efficiënte van gebouwen, kantoren, scholen en bedrijven in goede banen leiden maar met degelijke audits en doelmatige, econo­misch optimale investeringsplannen, aangepast aan ieders beurs en ieders specifieke noden. Binnen dit kader krijgt energiearmoede terecht steeds meer aandacht.

Ook op vlak van de duurzame energieopwekking werd pas de laatste jaren een structureel kader uit­ge­werkt. Vanaf 2002 is elke elektriciteitsleverancier in Vlaanderen verplicht om een minimumhoe­veel­heid elektriciteit uit hernieuwbare bronnen te leveren. Dit percentage zal in 2010 6% bedragen. De elektriciteitsleverancier kan bewijzen dat hij aan zijn ver­plichting voldoet door vol­doende groene­stroomcertificaten voor te leggen. Deze worden geleverd door producenten van groene stroom en worden verhandeld op de vrije markt. Het systeem leidde tot een toename van de Vlaam­se groenestroomproductie. Eind 2004 lanceerde sp.a het 'Windkracht 10-plan' met 10 maat­regelen om de juridische en admini­stra­tieve hinderpalen voor meer windenergie uit de weg te ruimen, en dat zowel op federaal als op Vlaams niveau. De belangrijkste maatregelen uit het 'Wind­kracht 10-plan' zijn inmiddels gerealiseerd[7]. Deze maatregelen beginnen resultaten op te leveren.

Figuur 6: Aantal windturbines in Vlaanderen[8]

Hoewel Vlaanderen in het gebruik van duurzame energie nog steeds achterop hinkt, zijn we de laatste jaren toch aan een spectaculaire inhaaloperatie begonnen. Tussen pakweg 2000 en 2004 is er een onwaarschijnlijke groei geweest in het aanbod hernieuwbare energie, een trend die moet aanhouden. Sinds begin 2002 – dus op nog geen vier jaar tijd – is de productie van groene stroom in Vlaanderen ongeveer verachtvoudigd.

Figuur 7: Groene stroomproductie in Vlaanderen[9]

Verhoudingsgewijs blijft het aandeel van deze hernieuwbare energie in de totale energiemarkt nog vrij klein – in de grootteorde van enkele percenten – met de productie van groene stroom uit biomassa als bijzonder sterke dominante factor. De ambitie is echter groot: Vlaanderen wil tegen 2010 een aandeel van 6%, Wallonië zelfs 8%, en tegen 2015 moet 12% van de elektriciteit uit hernieuwbare bronnen komen. Analoog met het systeem van groene stroomcertificaten startte Vlaanderen op 1 januari 2005 met WKK-certificaten voor warmtekrachtkoppeling, waarbij de restwarmte die vrijkomt bij de elektriciteits­produc­tie nog nuttig wordt aangewend. Daarmee kunnen we ook onze achter­stand in de toepas­sing van deze technologie beginnen in te lopen. De wetgeving die de laatste jaren op de verschillende niveaus uitgewerkt is, heeft zonder enige twijfel een belangrijke sturende werking gehad, zonder welke deze sector in ons land niet tot bloei zou zijn gekomen.

Uit een vergelijkend Europees onderzoek[10] blijkt dat landen met een goed beleid op het gebied van her­nieuw­bare energie, dat zeker niet alleen bestaat uit financiële onder­steuning, een groter aandeel groene stroom hebben. Dat betekent dat we met een goed doordacht beleid de evolutie nog verder kunnen aanzwengelen. Op langere termijn kan hernieuwbare energie nog een veel groter aandeel innemen. De literatuurstudie van de viWTA[11] wijst op een potentieel aan groene stroom in Vlaanderen van 6 tot 21% tegen 2020 in een ‘business as usual’ (BAU)-scenario van stijgende energievraag. Houden we rekening met de eco­no­mische rendabele vraagreductie van 13 % (Fraunhofer studie[12]), dan kan de hernieuwbare energie tegen 2020 instaan voor één derde van de stroomvoorziening in Vlaanderen.

Bovenstaande maatregelen op vlak van vraagreductie en duurzame energieopwekking hebben al gezorgd voor een ‘knik’ in de uitstoot van broeikasgassen.

Figuur 8: Broeikasgasemissies in België

Er moet voortgebouwd worden

Op deze fundamenten wil sp.a voortbouwen, met een klimaatplan dat niet blijft steken in een waslijst voornemens en beschouwingen, maar dat realistische en concrete maat­re­ge­len bevat waarop het beleid kan worden afgetoetst. Nieuwe maatregelen of de verster­king van bestaande maatregelen die in de volgende paar jaar kunnen worden genomen en ons op weg zetten om in Europa de uitstoot van broeikasgassen met 30% te verminderen tegen 2020.

Het klimaatbeleid moet gebruikmaken van de toenemende mogelijkheden op vlak van schone tech­no­logie en van het toegenomen bewustzijn bij de bevolking dat maatregelen nodig en dringend zijn. Het spreekt vanzelf dat een goed bestuur vereist dat concrete maat­regelen die worden genomen gepaard gaan met een doorgedreven informatie- en sensibili­sa­tiebeleid om ze bekend te maken. Heel wat onnodig energieverbruik heeft immers te maken met onwetendheid over de energie­ver­spilling of onbekendheid met technieken, steunmaatregelen of expertise om ze tegen te gaan. Een sterk maatschappelijk draagvlak is een absolute voorwaarde om in het klimaatbeleid meer voor­uitgang te boeken. Sensibili­sa­tie is ook nodig om concrete maatregelen breed ingang te doen vinden. sp.a wil voor elke doelgroep die in het klimaatbeleid een belangrijke rol moet vervullen, op korte termijn een op maat gemaakte en coherente communicatiestrategie uitwerken en toe­pas­sen. Die strate­gie zal zich zowel toespitsen op het creëren van een sterker draagvlak binnen de doel­groep in kwestie als op de ondersteunende communicatie die nodig is om de toe­pas­sing van con­cre­te maatregelen door en binnen die doelgroep maximaal te stimuleren.

We beseffen dat voor heel wat maatregelen een nauwe samen­werking of een herverdeling van de taken tussen de verschillende bevoegd­heids­niveaus moet gebeuren. Zowel de gewestregeringen als de federale regering moeten de volgende jaren bijko­men­de inspan­ningen leveren, bovenop het al ontwikkelde beleid. Na de verkiezingen zal de bevoegd­heidsverdeling inzake energie en klimaat een discussiepunt worden. De hier voorgestelde acties moeten in deze discussie op de juiste plaats worden gezet.

 

4.           Het sp.a klimaatplan

Het sp.a klimaatplan gaat uit van 30% reductie van de uitstoot van broeikasgassen in Europa tegen 2020. Hiervoor moeten de volgende jaren concrete maatregelen worden geno­men.

We willen langs de vraagzijde (het energieverbruik) zuinigere gebouwen, toestellen en voer­tui­gen in­zet­ten en deze ook veel rationeler aanwenden. Ook industriële productie­pro­ces­­sen moeten nog min­der energie gaan gebruiken. Elke besparing aan het eind van de energie­keten vermindert ook de (vaak grote) verliezen tijdens productie en distributie van energie.

Nieuwe gebouwen, toestellen en voertuigen moeten aan voortschrijdende energie­ver­bruiks­normen beant­woor­den die de energievreters eruit halen en het energieverbruik van de rest van het gamma moet via energielabels zichtbaar worden gemaakt. Het onderzoek naar en de ontwikkeling van voor­loper­tech­nologie moet sterk worden aan­ge­zwengeld en de toepassing ervan moet worden aangemoedigd door een compensatie van de meerkost (via premies, fiscale aftrek of subsidies) en door een groen aankoop- en aanbestedings­beleid van een ‘voorbeeldige’ overheid.

De energieverliezen van bestaande gebouwen moeten zichtbaar worden gemaakt via energiescans of energie-audits en via een energiecertificering (labelen) van gebouwen bij verkoop of verhuur. Het wegwerken van deze energieverliezen moet worden aangemoedigd via premies en fiscale maat­rege­len, goedkope leningen voor investeringen in energie­besparing en het helpen uitvoeren van deze inves­teringen via (gemeentelijke) energie­be­sparings­­bedrijven. Bij industriële processen wordt het energiebesparings­potentieel zicht­baar gemaakt via een energiedoorlichting of bench­mark­studie in het kader van het audit- of benchmarkconvenant. Convenantbedrijven moeten worden overtuigd om ook te investeren in minder rendabele besparingsmaatregelen.

Langs de aanbodzijde (de productie van de verschillende vormen van energie, zoals elektriciteit, warmte, stoom, beweging, …) moet de opwekking veel efficiënter gebeuren en moet bij de productie van stroom, warmte en motorbrandstoffen veel meer gebruikgemaakt worden van hernieuwbare grondstoffen. Daarvoor wil sp.a ook een ingrijpende reorgani­satie van onze energie-infrastructuur. Deze moet veel meer decentraal worden georgani­seerd, waarbij een veelheid aan kleine en grote produ­centen elektriciteit en warmte produceren waar deze nodig is. Daarvoor willen wij de domi­nantie op het vlak van stroomproductie en –levering doorbreken. Dit vereist het wegwerken van de voordelen waar de historische monopolisten van genieten, zodat nieuwe investeerders met schone technologieën de markt kunnen betreden.

Om vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen moeten we volop werk maken van de ont­wik­ke­ling van ‘slimme netten’. De ontwikkeling van een slim distributienet is nodig voor de integratie van een toenemend aantal decentrale productie-eenheden en de aansturing daarvan via slimme meters. Het elektriciteitsnet moet daarbij evolueren van een net dat stroom van grote cen­trales over grote afstanden naar de afnemers transporteert, naar een soort ‘internet­structuur’ waarvan de gebruikers niet alleen kunnen afhalen, maar ook opzetten en verzenden. Zo’n net­struc­tuur moet toelaten dat straks gezinnen, landbouwers, scholen en KMO’s met hernieuwbare energie-in­stal­la­ties (kleinschalige windmolens of fotovoltaïsche cellen) of (micro)warm­te­krachtkoppeling, zelf hun stroom en warmte produceren en het net gebruiken voor het uitwisselen van overschotten en te­kor­ten. Via slimme meters moeten zowel de decentrale warmtekracht­koppelinginstallaties als elek­tri­sche toestellen en plug-in hybride wagens kunnen worden aange­stuurd. Zo’n model van ener­gie­voor­ziening is veel efficiënter, kent minder verliezen en heeft een veel kleiner risico op een black-out. In zo’n model wordt onze stroommarkt niet langer gedomineerd door enkele dominante spelers, maar kan iedereen consument én producent worden met (decen­trale) installaties die gebruikmaken van hernieuwbare bronnen en warmte­krachtkoppeling. Zo hopen wij dat ook onze energiemarkten worden ‘gedemocratiseerd’ en dat hernieuwbare energie veel sterker gaat doorbreken. De uitdaging voor het transportnet bestaat in de aanleg van een hoogspanningsnet over de bodem van de Noord­zee om onze toekomstige offshore windmolen­parken te verbinden met deze van Groot-Brittannië en Nederland. Op die manier kan een veel stabielere stroomlevering uit windmolens op zee worden gehaald.

 

5.           Comfortabel wonen en werken in energiezuinige gebouwen

De verduurzaming van het woningenbestand moet langs twee complementaire beleids­sporen lopen. Terwijl tegen 2020 voor nieuwbouw en vernieuwbouw volledig moet worden overgeschakeld naar de bouw van passiefhuizen en lage energiewoningen, wordt ook het bestaande woningenbestand verbeterd qua woonkwaliteit en energiezuinigheid. Tegen 2020 willen we dat het energieverbruik van onze woningen (zowel bestaande als nieuwe) met 20% afneemt. Dit betekent voor de Belgische gezinnen een belangrijke koopkracht­verhoging, terwijl er heel wat banen kunnen bijkomen bij het isoleren en efficiënter verwarmen van bestaande gebouwen.

Bij (ver)nieuwbouw dient ook zoveel mogelijk CO2-neutraliteit te worden nagestreefd door de integratie van zonnecellen, zonnecollectoren, warmtepompen en/of micro-warmte­kracht­­­­koppeling op biomassa. Op jaarbasis produceren dergelijke gebouwen evenveel groene energie (stroom en warmte) als ze zelf nodig hebben zodat ze geen nettobijdrage leveren aan het broeikaseffect. Om tegen 2015 alle nieuwe kantoorgebouwen en woon­wijken CO2-neutraal te bouwen, moet nu al bij dergelijke projecten de passief­stan­daard en CO2-neutrale inrichting voorafgaandelijk worden onderzocht.

Er moet een grootschalig e-novatieprogramma komen voor bestaande woningen

De Belgische woningen hebben een enorm energiebesparingspotentieel. De 4,5 miljoen bestaande woningen die ons land rijk is gebruiken voor hun verwarming ongeveer 20% van de energie in Bel­gië. Ons Belgisch woningenpark is oud en over het algemeen slecht geïsoleerd. Om het met een boutade te stellen: Belgische woningen zijn slechter geïsoleerd dan Spaanse en verbruiken meer ener­gie dan Zweedse. Slechts 71% van onze woningen heeft dubbele beglazing, van slechts 57% van de woningen is het dak geïsoleerd[13]. Uit onderzoek[14] blijkt dat we 5% energie kunnen besparen door gewoon de maatregelen te nemen die onze buurlanden ook nemen en 12% door alle maatregelen te nemen die zichzelf terugbetalen. De besparing door alle niet-geïsoleerde woningen in België te isoleren wordt geraamd[15] op 10 miljoen ton CO2. Aangezien het Belgische woningenpark slechts langzaam wordt vernieuwd moeten we het bestaande park ‘e-noveren’ (reno­ve­ren op vlak van energieprestaties).

Hoewel energiebesparing in vele gevallen ‘economisch’ is (wat wil zeggen dat de maatregelen nemen minder kost dan ze niet nemen) blijkt het energiebesparingspotentieel toch onderbenut. Dit wordt veroorzaakt door een aantal drempels:

-       Veel mensen kennen de slechte prestaties op energiegebied van hun woning niet,  zijn niet op de hoogte van het verbeterpotentieel of van bestaande steunmaatregelen of weten niet waar te beginnen.

-       Huurder/verhuurder paradox: huurders betalen de energiefactuur maar investeren niet omdat de woning niet hun eigendom is, eigenaars investeren niet omdat de besparing niet voor hun rekening is. Bij het afsluiten van een huur- of lease-overeenkomst is de energiefactuur onzicht­baar.

-       Arme gezinnen wonen in de slechtst geïsoleerde woningen maar ontberen het geld om ze te e-noveren. Ook jonge mensen hebben vaak al hun volledige ontlening­moge­lijkheden opge­bruikt voor de aankoop of bouw van hun woning.

-       Sociale huisvestingsmaatschappijen zijn vaak verplicht de huur te verhogen als zij renovatie­wer­ken willen uitvoeren, terwijl er ook regels zijn op het gebied van huur­plafonds in functie van het in­komen.

-       Belgische aannemers zijn vaak klein (familiebedrijven, KMO’s), waardoor specialisatie en het doordringen van nieuwe technologieën in de sector worden bemoeilijkt.

-       België kent een gebrek aan gespecialiseerde vaklui, zoals installateurs verwarming.

-       Veel bedrijven van vaklui (bijvoorbeeld installateurs) zijn familiebedrijven, men ziet het vaak niet zitten (rompslomp) om extra personeel aan te werven of bijkomende opleidingen te volgen.

sp.a wil deze drempels wegwerken via een grootschalig actieplan voor het beter isoleren en effi­ciënter verwarmen van de bestaande woningen. De goed­koopste en milieu­vrien­de­lijkste ener­gie is immers deze die niet wordt gebruikt. Door het bestaande woningen­bestand te ‘e-noveren’, dit wil zeggen te renoveren zodat de energieprestaties gevoelig verbeteren, helpen we mensen te be­spa­ren op hun energiefactuur. De verschil­lende drempels voor e-novatie moeten gericht worden ge­slecht.

1.        Weten is meten: het aantal energiescans moet worden uitgebreid

Bij een energiescan wordt het huis kort bezocht door een deskundige. Hij of zij inspecteert de gebouw­schil (beglazing, aanwezigheid van isolatie, …), de verwarmingsinstallatie, de thermostaat en ondervraagt de bewoners over enkele gewoonten in verband met energie. Op basis van deze vaststellingen wordt dan een advies gegeven. Dit advies gaat over gedragsmaatregelen (zoals uitschakelen van de verwarming wanneer men afwezig is, uitschakelen verwarming in ruimtes waar geen verwarming nodig is, …), kleine inves­te­ringen (type thermostatische kranen, tocht­stro­ken) en een algemeen advies (vuist­regel) voor renovatie (type: dakisolatie betaalt zich gemid­deld terug op 6 jaar) en info over de beschikbare premies, subsidies, fiscale aftrek­mogelijk­heden, goed­kope leningen, enzo­voort.

Het voordeel van de energiescan is de laagdrempeligheid, het feit dat ook gedrag en elektrische ap­pa­raten worden bevraagd (in tegenstelling tot een energie-audit van de gebouw­schil) en de relatief beperkte kostprijs. Gedragsmaatregelen sorteren een onmid­del­lijk effect. Ook huurders kunnen via gedragsmaatregelen en kleine investeringen onmid­dellijk hun energiefactuur zien dalen. Bovendien kunnen zij met de lijst van vuist­regels en de inventarisatie van de gebouwschil de verhuurder aan­spre­ken. De energiescan is evenwel geen alternatief voor de energie-audit (onder meer in het kader van de EPB-regeling om een energiecertificaat te bekomen); deze vereist een grondiger onderzoek en vooral een  complexere berekening van de gebouwschil.

Momenteel voeren de distributienetbeheerders 50.000 gratis energiescans[16] uit in Vlaan­deren in de periode 2007-2009. Eens dit systeem op kruissnelheid is, moet het sterk worden uitgebreid. Als we vanaf 2010 100.000 extra scans plannen, kost dit jaarlijks 2.000.000 € extra. De distributienetbeheerders worden hiervoor gecompenseerd.

Voor het uitvoeren van kleine, energiebesparende maatregelen die gepaard gaan met deze scans (radiatorfolie, spaarlamp, spaardouchekop, buisisolatie) kan een beroep worden gedaan op sociale economie (de zogenaamde ‘energiesnoeiers’). Voor 100.000 scans betekent dit 187,5 voltijdse jobs[17].

2.       De renovatiepremie inzetten voor e-novatie

Sinds kort voerde de Vlaamse regering een renovatiepremie in voor eigenaars van woningen met een bescheiden inkomen. De renovatiepremie komt overeen met 30% van de renovatiekost van een woning, met een maximum van 10.000 euro. Doelstelling van de premie is een kwaliteitsverbetering van de woning. Als totaal budget wordt jaarlijks 50.000.000 € uitgetrokken waarbij dus minimaal 5.000 woningen per jaar grondig gereno­veerd kunnen worden.

Om te vermijden dat mensen hun huis renoveren maar nalaten het te isoleren wil sp.a de renovatie­premie koppelen aan de mate waarin men de energieprestaties van de woning verbetert. Zo mogen facturen voor nieuwe ramen enkel in aanmerking komen voor een premie als isolerende beglazing wordt geplaatst, facturen voor een nieuwe muur als de muur een spouw met isolatie of buitenisolatie bevat.

3.       Een energiezuinige woning moet een recht worden voor elke bewoner

Er bestaat een paradox dat de huurder het meeste voordeel haalt uit energiebesparende maat­regelen, terwijl het de eigenaar is die ze moet uitvoeren en betalen. Anderzijds stijgt de waarde van het patrimonium als de woning goed geïsoleerd is en voorzien van een performante verwar­mings­installatie. Aangezien elke huurwoning vanaf 2009 een energie­prestatiecertificaat zal hebben, is het energieverbruik van de woning vanaf dat moment bekend.

sp.a wil dat huurders het recht krijgen de huiseigenaar te verzoeken om energie­bespa­rende maatregelen uit te voeren indien uit het energieprestatiecertificaat zou blijken dat de woning een te groot energieverbruik heeft. In geval van betwisting moet hij dit recht kunnen afdwingen voor de vrederechter. Wanneer de vrederechter bepaalde investeringen oplegt, kan hij een gedeel­te van de verwachte winst op de energiefactuur aan de eigenaar toekennen, waardoor deze zijn investeringen geleidelijk kan terugbetalen.

sp.a wil dat het energieprestatiecertificaat moet worden geregistreerd samen met het huurcontract, waarvoor er nu een gratis registratie is. Op termijn mogen woningen waarvan het energiegebruik slecht is niet meer worden verhuurd voor bepaalde investe­ringen wor­den uitgevoerd.

4.       Een Alliantie voor Arbeid en Milieu

Naar het voorbeeld van Duitsland moet ook in ons land een ‘Alliantie voor Arbeid en Milieu’ worden afgesloten tussen werkgevers en werknemers uit bouwsector, milieu­vere­ni­gingen en overheid.

In Duitsland werd een ‘Bündnis’ gesloten tussen overheidsbesturen (Bund en Länder), onder­ne­mingen, milieuverenigingen en vakbonden. Een onderdeel van deze alliantie is het ‘Gebäude­sanierungsprogramm’. Het is tevens het bekendste en succesvolste onderdeel van de alliantie. Hiervoor werd in 2001-2004 1,12 miljard euro uitgetrokken, waardoor 4,4 miljard bijko­mende leningen werd toegekend, 25.000 banen gecreëerd (2004), 196.000 woningen gere­no­veerd, en 1 miljoen ton CO2 vermeden. Het regeer­ak­koord SPD-CDU/CSU van 11 november 2005[18] schrijft voor dat het budget wordt verhoogd tot jaarlijks 1,5 miljard €[19].

Naast extra middelen om goedkope leningen voor energiebesparing uit te voeren (zoals bij ons nu al gebeurt door het Fonds voor de Reductie van de Globale Energiekost, FRGE) en een grootschalig isolatieprogramma (zie verder) moet het pact ook zorgen voor bijkomende opleidingen en bij­scho­ling in de bouwsector, voor het versneld laten doorsijpelen van nieuwe technieken en technologieën op vlak van energiebesparing in de sector, voor het stimu­leren van de aanwerving van bijkomend personeel in kleine bouwbedrijven en voor het inzetten van sociale economie voor e-novatie­pro­gramma’s voor doelgroepen.

5.        Er moet een grootschalig programma voor dakisolatie en beglazing komen

sp.a wil dat een grootschalig actieprogramma voor beglazing en dak- en zoldervloerisolatie wordt uitge­werkt. Doelstelling moet zijn dat iedereen op zes jaar tijd zijn of haar woning kan uitrusten met dergelijke isolatie.

In ons land hebben nog te weinig woningen overal dubbele beglazing of dakisolatie[20]:

 

 

België

Brussel

Vlaanderen

Wallonië

Dubbele beglazing #

2.751.000

244.000

1.623.000

883.000

Dubbele beglazing %

71%

64%

72%

69%

Volledige dubbele beglazing #

773.000

81.000

438.000

255.000

Volledige dubbele beglazing %

36%

42%

35%

35%

Geïsoleerd dak #

1.822.000

128.000

1.114.000

580.000

Geïsoleerd dak %

57%

63%

58%

55%

Hoogrendementsbeglazing isoleert vijfmaal beter dan enkel glas en twee tot drie keer beter dan gewone dubbele beglazing.

 

Aantal woningen met enkele beglazing

1.123.648

 

m² beglazing bij een rijhuis (20 m² per rijwoning)

22.472.958

Kostprijs vervanging (70 €/m²)

1.573.107.042

Energiebesparing (0,87 GJ/jm²)

19.551.473

GJ

Besparing in € (10,8 €/GJ)

195.514.732

Besparing in CO2 (70,81 kg CO2/GJ)

1.384.439.820

kg CO2

Besparing in ton CO2

1.384.440

t CO2

 

Door in alle Belgische woningen dubbel glas (en dan ineens hoogrendementsbeglazing) en dak- of zoldervloer te instal­leren worden bijkomende banen gerealiseerd[21],[22]. Bijkomende voordelen van hoogrendementsbeglazing en dak- of zoldervloerisolatie zijn een betere akoestische isolatie (vliegtuigen, treinen, auto’s, straatlawaai), minder condens­problemen, minder tocht, …

Voor dakisolatie moet minstens 10 cm rotswol (of het equivalent in een ander isolatie­materiaal) worden gebruikt.

 

aantal daken

1.374.491

 

totaal dakoppervlak (gemiddelde opp. rijwoning:  40 m²)

54.979.649

kostprijs isolatie (erkend aannemer, geen dakkapellen
of veluxen): 2.172 € voor 40 m² dak

2.985.394.947

totale jaarbesparing in GJ (0,432 GJ/m²j)

23.751.208

GJ

totale jaarbesparing in €  (10,8 €/GJ)

237.512.084

totale jaarbesparing in kg CO2 (70,81 kg CO2/GJ)

1.681.823.068

kg CO2

totale jaarbesparing in ton CO2

1.681.823

t CO2

 

Het is duidelijk dat er grote financiële en psychologische barrières bestaan die het isoleren van woningen bemoeilijken. Daarom is een soort shocktherapie nodig: deze shock moet tweeërlei zijn:

1.       het verstrekken van gratis leningen (renteloze leningen) voor de isolatie van dak en de plaatsing van hoogrendementsglas;

2.       het vaststellen van een wettelijke norm waaraan bestaande woningen binnen de zes jaar moeten voldoen om te worden verhuurd.

Berekening van de kostprijs van een programma gratis leningen voor dakisolatie en dubbele beglazing:

 

kostprijs iedereen dubbel glas (zie hoger)

1.573.107.042

kostprijs iedereen dakisolatie (zie hoger)

2.985.394.947

totale investeringskost over zes jaar

4.558.501.989

totale investeringskost per jaar

759.750.332

€/j

leningspercentage FRGE

2

%

kosten gratis lening 2008

15.195.007

kosten gratis lening 2009

30.390.013

kosten gratis lening 2010

45.585.020

kosten gratis lening 2011

60.780.027

kosten gratis lening 2012

75.975.033

kosten gratis lening 2013

91.170.040

totale kost over zes jaar

319.095.139

 

Naast de kosten van de gratis lening, is er ook een belangrijk multiplicatoreffect: de totale investering over 6 jaar bedraagt immers 4.558 miljoen € of 14,3 keer meer dan de kost voor de overheid.

6.       Sociale woningen moeten worden ge-enoveerd

Sociale huisvestingsmaatschappijen bevinden zich vaak voor het dilemma dat zij de huurprijs voor hun huurders moeten optrekken als ze investeren in de woning, terwijl de huurprijzen geplafonneerd zijn en net de ’meerverdieners’ vaak reeds aan dit plafond zitten. Als de investeringen toch worden doorgevoerd, worden deze daarom nood­ge­dwongen verhaald op juist die huurders die het laagste inkomen hebben. Dat weerhoudt vele huisvestingsmaatschappijen ervan om in energiebesparing te investeren, met hoge energiefacturen voor juist een sociaal zwakke doelgroep tot gevolg.

Bijkomend probleem is dat veel sociale huisvestingsmaatschappijen niet de kennis of de tijd hebben om energiebesparende maatregelen uit te tekenen, te plannen of uit te voeren.

sp.a wil dat er een investeringsmaatschappij wordt opgericht die optreedt als ESCO (energy services company) voor de sociale huisvestingsmaatschappijen. Deze ESCO voert energie-audits uit, plant alle energiebesparende maatregelen, voert ze uit en financiert ze. Deze financiering wordt terugbetaald met een gedeelte van de besparing op de energie­factuur. Om dergelijke vormen van financiering (met overname van energiefactuur) mogelijk te maken, wordt het sociaal huurbesluit en het financieringsstelsel sociale woning­en aangepast.

Nieuwe woningen moeten steeds energiezuiniger worden

Woningen gaan in ons land erg lang mee, we bouwen nu al het woningenpark van 2050. sp.a wil dat woningen die zuiniger zijn dan de geldende energienormen (voorlopig het zogenaamde E-peil van 100) worden gestimuleerd. De geldende energienormen moeten ook systematisch worden aangescherpt in functie van de totale levenscycluskost van een woning (waarbij investeringskost en gebruikskosten over heel de levensduur worden in rekening gebracht). Een groeiend aandeel nieuwbouwwoningen moet bestaan uit passief­huizen, dit zijn woningen die zo performant zijn dat ze geen verwarmings- of koeling­installatie meer nodig hebben. Nieuwe woonwijken en kantoorgebouwen moeten tegen 2015 CO2-neutraal zijn.

7.        Voor nieuwe woningen: een E60-woning mag niet meer kosten

Sinds de invoering van de EPB-regeling (Energieprestaties en Binnenklimaat) werden de normen op vlak van energieprestaties en het toezicht daarop strenger.

In plaats van de vroegere isolatienormen (zogenaamde K-waarden) wordt er nu een globaal E-peil berekend. Dit houdt rekening met de isolatie van de woning (spouwisolatie, vloerisolatie, beglazing, dakisolatie), de verwarmingsinstallatie en de ventilatie. Dit E-peil mag voor een nieuw­bouw­woning max